Joods-Christelijke Dialoog

Marcus 02: 23-03: c

Zondag 3 juni 2018

Hoe wrijf je op sabbat korenaren stuk?

ofwel
Mag een arme een brood stelen?

door Dick Pruiksma


Inleiding
Het is nog niet eens zo gek lang geleden dat aan de hand van Marcus 2: 23-28 de controverse tussen jodendom en christendom werd belicht. Aren plukken op de sabbat, zo heette het verhaal. Lange tijd is dit verhaal gebruikt als onweerlegbaar bewijs voor de opvatting dat Jezus zich heeft ‘bevrijd’ van het wettische jodendom. In “Das Neue Testament Deutsch” 1 wordt deze perikoop besproken onder het opschrift: Die Freiheit vom Gesetz! Conclusie: Jezus is heer over de sabbat. En het lijkt er bijna op dat daarmee stilzwijgend werd bedoeld dat Jezus niet alleen de sabbat maar ook 'das Gesetz' had afgeschaft. In de volgende perikoop, Marcus 3: 1-6, lijkt dat beeld te worden bevestigd. Daar horen we dat Jezus, opnieuw op sabbat, in een synagoge iemand geneest. In deze bijdrage vragen we ons af of het eerste verhaal toch ergens anders over gaat dan over aren plukken op sabbat. En wat er nou eigenlijk zo erg is aan het tweede verhaal.

Beeldvorming

Langzaam maar zeker verdwijnt uit de kerk, naar we hopen, de valse beeldvorming over het jodendom. Het beeld van het enghartige jodendom dat slaafs de geboden onderhoudt om behouden te worden. Tegenover het wettische jodendom stond het christendom getekend als godsdienst van de vrijheid en de genade. Die tegenstelling heeft alles te maken met de manier waarop in met name de protestantse theologie de brieven van Paulus zijn geïnterpreteerd. En de daar geboren tegenstelling van wet en evangelie werd vervolgens ook in de evangeliën gevonden. In de dialoog met het jodendom hebben we intussen geleerd dat daarmee een vals beeld van het jodendom ten grondslag ligt aan de christelijke exegese. Bevrijd van de tegenstelling wet en evangelie zouden we de evangeliën nieuw kunnen gaan lezen en uitleggen. Jezus was een wetsgetrouwe jood die nog niet het kleinste onderdeeltje van de Tora, de Wet van Mozes, wilde veronachtzamen.

Alles in beweging

Maar eerst nog kort over die valse tegenstellingen. In zijn inleiding op “Christ Jesus and the Jewish People Today” wijst Kardinaal Walter Kasper, de vroegere voorzitter van de Vaticaanse Commissie voor de Religieuze Betrekkingen met het Jodendom, op het min of meer vanzelfsprekende feit dat in de tijd van het Nieuwe Testament het christendom nog niet bestond.2 Maar ook het (hedendaagse, rabbijnse) jodendom bestond nog niet. Beide stromingen zijn ontstaan na de verwoesting van de Tempel in 70 n. Chr. De canons en de structuren van christendom én jodendom werden vanaf de tweede eeuw in een parallel proces gevormd. Geen enkele perikoop in de evangeliën is daarom deel van een “tegenstelling” jodendom en christendom.

In de dagen van Jezus is het jodendom een ongelooflijk veelzijdig fenomeen. Misschien moet je zelfs het meervoud gebruiken: jodendommen.3 Er was het jodendom in Palestina als betrekkelijke meerderheidsgroep. Er was het jodendom in de diaspora waar men allerlei praktische problemen moest oplossen om zich als minderheid staande te houden. Er waren Farizeeën, Sadduceeën, Essenen. En men was het soms zeer met elkaar oneens. De Essenen verachtten de tempelinstituties in Jeruzalem zozeer dat men er in Qumran een eigen kalender op na hield waarop afwijkende dagen stonden genoteerd voor de religieuze feesten. Er waren ook tal van politieke stromingen. Al of niet geneigd tot geweld tegen of juist heulend met de bezetter uit Rome. Er waren de meer vrome lieden, de chassidiem, ook in de dorpen in Galilea. En er was het eenvoudige volk van het land. En binnen al die bewegingen bestonden onderlinge verschillen. Halverwege de eerste eeuw van de gebruikelijke jaartelling is van alles in beweging.

Interpretatie en discussie

En in dat veelkleurige en beweeglijke landschap beweegt zich rabbi Jezus. Vaak gaat hij in de lijn van de Farizeeën. Maar niet altijd. Op het punt van de echtscheiding is Jezus veel strenger dan de Farizeeën. Hij lijkt dan meer in Esseense richting te gaan. Maar in het algemeen volgt Jezus de Farizese lijn. Niet alleen wanneer het om interpretatie van de geboden gaat. Maar ook met betrekking tot bijvoorbeeld opvattingen over de opstanding van de doden. Daarin staat hij met de Farizeeën tegenover de Sadduceeën. Maar ook binnen die Farizeese lijn is onderscheid. Je zou Jezus in dat frame eerder plaatsen binnen de mildere opvattingen van Hillel dan bij de strengere Sjammai.

Kortom, er kan geen sprake van zijn dat Jezus in een verhaal over het plukken van korenaren op sabbat zich frei vom Gesetz heeft verklaard. Wel maken beide verhalen van deze zondag deel uit van de debatten die de verschillende stromingen voerden over de interpretatie van de geboden. Een discussie die in het jodendom tot op de dag van vandaag gaande is.

Plukken of wrijven?

Waar gaat het hier over in het slot van Marcus 2? Flusser 4 schrijft: “Het is nauwelijks bekend dat de synoptische Jezus nimmer zondigt tegen de wetspraktijk – met als enige uitzondering het aren lezen op sjabbat.” Dat roept vragen op. Want het zou wel heel opmerkelijk zijn wanneer dit verhaal uit Marcus 2 de absolute uitzondering zou vormen in de synoptische evangeliën. Korenaren die op de grond waren gevallen mocht je natuurlijk eten. Je wreef die aar stuk met je vingers om de korrel uit de aar te bevrijden. Leraren in Galilea vonden het ook goed wanneer je de aar met de handpalm stuk wreef.5

Flusser gaat ervan uit dat het Lukasevangelie het dichtst bij het oorspronkelijke verhaal is gebleven. In Lukas 6: 1 wordt met zoveel woorden gezegd dat de leerlingen de korenaren met de hand stuk wrijven. De strengere wetsopvatting stond alleen het stuk wrijven met de vingers toe. De discipelen handelen dus volgens de ruimere Galilese opvatting dat het stuk wrijven niet perse alleen met de vingers hoefde te gebeuren. En die interpretatie wordt door Jezus verdedigd. Het dispuut gaat over de vraag of je een mildere of een strikter interpretatie moet volgen. Waarschijnlijk, aldus opnieuw Flusser, heeft een redacteur die niet goed op de hoogte was met deze details al in een vrij vroeg stadium het woord “plukken” aan het verhaal toegevoegd “niet beseffend dat hij daarmee het enige vergrijp tegen de wet in de synoptische evangeliën invoerde.” 6

Niet of maar hoe

Tomson 7 voert tal van plaatsen op uit de rabbijnse literatuur waarbij hij het ook mogelijk acht dat zelfs het plukken van de aren tot de mogelijkheden hoort. Overigens zijn er oude geschriften die alleen over wrijven spreken en daarmee het standpunt van Flusser onderstrepen dat het woord plukken later is toegevoegd.8 Hoe dan ook geldt de conclusie van Tomson: "Of het nu oorspronkelijk wrijven of plukken was, in beide interpretaties bewoog Jezus zich binnen een bepaalde wetstraditie en ging de discussie met de Farizeeën niet over de vraag óf maar hóe de sabbat in detail diende te worden gerespecteerd." 9

Op analoge wijze is ook het volgende verhaal te lezen. Ook hier is de vraag of je een mildere of meer strikter uitleg van de geboden volgt. Jezus had natuurlijk tegen die man met een verschrompelde hand kunnen zeggen: “Meneer, komt u morgen even terug. Dan is het niet meer sabbat. En er is per slot van rekening geen levensgevaar.” Of volg je de mildere weg? Dan zeg je: steek je hand uit en wees genezen. Dat laatste kun je heel goed zeggen zonder de geboden te overtreden. Er worden immers geen middelen tot genezing gebruikt. Op sabbat blijft het werk en blijven de werktuigen rusten. Maar binnen wat ruimere marges van interpretatie wordt een mens geholpen. En daar gaat het kennelijk steeds om.

Het verhaal van Abba Tachna

De vraag in Markus 3 of je op sabbat een leven mag redden is geheel retorisch. Natuurlijk mag dat. Geen enkele jood twijfelt daar aan. Is er iemand in een put gevallen die dreigt te verdrinken dan is het natuurlijk geboden om, als het nodig is, zelfs de wand van de put af te breken. Het leven van een mens gaat immers altijd voor de geboden van de sabbat. In Strack-Billerbeck 10 vinden we het verhaal van Abba Tachna (in eigen woorden enigszins verkort)
De vrome Abba Tachna naderde vlak voor sabbat de stad waar hij woonde. Hij droeg wat nodig was voor sabbat in een bundeltje over zijn schouder. Toen werd hij aangesproken door een melaatse die hem vroeg om een werk van barmhartigheid: Breng mij in de stad. Daarvoor moest Abba Tachna zijn spulletjes neerleggen. En hij zou geen tijd meer hebben om terug te komen en op te halen wat hij nodig had. Maar hij zei tegen zichzelf: wanneer ik mijn bundeltje laat liggen doe ik mijn gezin te kort. Maar wanneer ik deze man laat liggen schaad ik mijn ziel. Hij bracht de zieke in de stad en keerde pas na het ingaan van de sabbat terug met zijn levensbenodigdheden. En toen hij zich bezorgd afvroeg of hij daarmee de sabbat had geschonden liet God de zon stralend schijnen zoals geschreven staat: Voor jullie die ontzag hebben voor mijn Naam, zal de zon stralend opgaan (Mal. 3:20). En de hemelse stem zei: Eet je brood met vreugde en drink met een vrolijk hart je wijn. (Pred. 9: 7)

Mensenzoon

Op één merkwaardig feit moet nog gewezen worden. Marcus is de enige die het spreekwoord aanhaalt dat de sabbat omwille van de mens geschapen is en niet de mens omwille van de sabbat. De eerder aangehaalde uitleg in NTD vindt het volkomen vanzelfsprekend dat Matteüs en Lukas die zinsnede weglaten. Want in die zegswijze gaat het om alle mensen en niet om de volmacht van de Mensenzoon. De uniciteit van Jezus is voor de klassieke uitleg echter de scopus van het verhaal. Daarom kan dat joodse spreekwoord gevoeglijk worden geschrapt. Maar juist die zinsnede is de verbinding tussen de Marcusperikoop en het joodse achterland. Het gaat hier volgens Tomson om een bekende, met name in het milieu van de Galilese chassidiem gehuldigde opvatting.11

Wanneer dit spreekwoord wordt weggelaten valt alle nadruk op de Mensenzoon. In dat geval wordt dat woord vanzelf met een hoofdletter geschreven. Maar wanneer we Markus lezen, dan is de spreuk over ‘heer zijn’ een logisch gevolg van de waarheid die het voorafgaande spreekwoord bevat. Dan staat er dat de sabbat geschapen is voor de mens en dat dus de ben adām, het mensenkind, - iedereen! - heer is over de sabbat. “Jezus eiste voor zichzelf niet meer op dan een mens voor zich mag opeisen." 12 ”Ik begrijp heel goed waarom het theologen zwaar valt in bepaalde uitspraken van Jezus het woord ‘zoon des mensen’ eenvoudig als ‘mens’ te lezen. Filologisch gezien is het echter niet mogelijk om in de uitspraak dat de zoon des mensen heer is over de sabbat anders op te vatten.” 13

Een brood stelen

Ontdaan van alle valse tegenstellingen blijken beide verhalen uit Markus 2 en 3 te gaan over de vraag hoe wij met de geboden omgaan. Nou ja,... wij? Wie zijn 'wij'? De overgrote meerderheid van de christenen is van niet-joodse afkomst en houdt – meestal – daarom niet de sabbat. Maar er zijn wel degelijk belangrijke ethische vragen te stellen die parallel aan deze beide verhalen lopen. Want het gaat om de balans tussen recht en mededogen. Waarbij beide legitiem zijn! Wanneer wordt door gebrek aan mededogen het recht tot onrecht? En waar houdt het mededogen op en moet het recht zegevieren? Om de vele vragen maar te beperken tot de bekende zinsnede van wijlen de Bredase Bisschop Muskens: Een arme mag een brood stelen. 14 Toch?

1. Eduard Schweitzer, Das Evangelium nach Markus, in Neues Testament Deutsch (Göttingen 1967) deel 1, 38.
2. Walter Kardinaal Kasper in Christ Jesus and the Jewish People Today, (Grand Rapids 2011) pag. xiv.
3. Gabriele Boccaccini, Middle Judaism, Jewish Thought 300 b.c.e. to 200 c.e. (Minneapolis 1991) noemt het jodendom uit de in de titel van zijn boek aangegeven periode ‘middle judaism’ in onderscheid van het eerdere jodendom uit de oudheid en van het latere rabbijnse jodendom.
4. David Flusser, Jezus (Haarlem 1979) 49.
5. Idem
6. Idem
7. Peter J. Tomson, Als dit uit de Hemel is …., Jezus en de schrijvers van het Nieuwe testament in hun verhouding tot het Jodendom, (Hilversum 1997) 129
8. Tomson a.w. 129 noemt “de arabische vertaling van het Diatessaron, een vier-evangeliën-harmonie uit de 2e eeuw en een tiende-eeuwse arabische tekst die een oudere joods-christelijke bron citeert.”
9. Tomson, a.w. 129.
10. Hermann L. Strack en Paul Billerbeck, Das Evangelium nach Matthäus erläutert aus Talmud und Midrasch, (München 1982) 391.
11. Tomson, a.w. 129
12. David Flusser, Tussen oorsprong en schisma, artikelen over Jezus, het Jodendom en het vroege Christendom, (Hilversum 1984) 146 en 276
13. Idem 146/147
14. Van Wikipedia: “Op 2 oktober 1996 veroorzaakte Muskens beroering, vooral in de bakkerijbranche, toen hij in een VPRO-televisieprogramma zei dat het stelen van brood geoorloofd is als mensen honger hebben en geen andere mogelijkheid zien om te overleven. Muskens verwoordde overigens daarmee slechts de moraalleer van de Katholieke Kerk.”
Opmerking; In deze bijdrage gaan we verder niet in bepaalde tekstuele kwesties. Zowel Matteüs 12 als Markus 2 en Lukas 6 vermelden de geschiedenis van David die de zogenoemde toonbroden at. Maar wanneer Markus de naam Abjathar noemt dan klopt dat niet met 1 Samuël 21 waar de priester Abimelech heet. En wanneer de evangelisten meldden dat David honger had en zijn strijdakkers mee had genomen, dan zijn ook dat details die niet met het oorspronkelijke bericht overeen stemmen. Ook over de vraag waarom de farizeeën samen met Herodianen in Markus 3: 6 Jezus willen doden laten we buiten beschouwing. De Farizeeën spelen in de lijdensgeschiedenis geen enkele rol. Of het moest al zijn dat Nicodemus en Jozef van Arimathea farizeeën waren. Flusser vindt dat het slot in Lukas 6: 11 aannemelijker. Men is in verwarring en vraagt zich af wat men met deze Jezus aan moet.