Joods-Christelijke Dialoog

Johannes 17: 1-13

Zondag 28 mei 2017

Het gebed van Jezus
Door Peter van ’t Riet

Twee opmerkingen vooraf
In een eerdere bijdrage aan deze website heb ik betoogd dat het vierde evangelie niet werd geschreven door de apostel Johannes, maar afkomstig is uit de School van Jezus’ geliefde discipel Lazarus.(1) Lazarus was afkomstig uit Bethanië in Judea (Joh. 11:1) en behoorde tot de lagere, Judese priesterschap.(2) Dat gegeven bepaalt de Sitz im Leben van het vierde evangelie dat zich voor 70% afspeelt in Judea en sterk gericht is op Jeruzalem en de tempel. Verder heb ik elders de proloog van het vierde evangelie uitgelegd in zijn betrekking tot de offerdienst van Israël. Met het Woord (1:1-4) is de Tora bedoeld die – volgens Joodse opvattingen uit de tijd van Jezus – door God werd geschreven en vervolgens werd gebruikt als instrument om de wereld mee te scheppen. Met de vleeswording van het Woord (1:14) is de naleving van de Tora bedoeld in de wereld van vlees en bloed – de mensenwereld – door allen die het(3) aangenomen hebben (1:12). De woorden ‘heeft onder ons gewoond’ (eskènoosen, 1:14) spitst deze naleving verder toe op de tabernakel/tempel (skènè) en de offerdienst. De eniggeboren zoon van de Vader (1:14) is een beeld voor Izaäk (zie bijv. Hebreeën 11:17), de personificatie van de Joodse bereidheid om voor het geloof als martelaar te sterven.(4) Het vierde evangelie – samengesteld aan het eind van de 1ste eeuw na de verwoesting van de tempel – presenteert nu Jezus’ leven, leer en dood als een model voor zijn volgelingen teneinde het doel van de offerdienst – de concrete, in handelingen uitgedrukte beleving van Gods nabijheid – te realiseren in een tijd zonder tempel. Het is vanuit deze achtergrond dat ik enkele opmerkingen maak over Jezus’ gebed in Johannes 17:1-13.

Een homiletische tekst
Het vierde evangelie is literair gezien opgebouwd uit narratieve, dialogische en homiletische teksten, die elkaar in een wat rommelig patroon afwisselen.(5) Vaak sluiten de dialogische gedeelten aan bij de narratieve, en vormen er een nadere uitwerking van. De homiletische gedeelten maken de indruk daarna te zijn toegevoegd. Dat is ook het geval met de hoofdstukken 15-17 waartoe onze perikoop behoort. Als dit evangelie deze drie hoofdstukken niet had bevat, zou niemand ze ooit gemist hebben. De tekst van 14:31 loopt immers naadloos over in die van 18:1. De hoofdstukken 15-17 vormen daartussen een intermezzo met een homiletisch en gedeeltelijk dialogisch (Joh. 16:16-33) karakter. Dat dit intermezzo hier, aan het einde van Jezus’ laatste maaltijd (die in dit evangelie overigens geen sedermaaltijd is!), is terecht gekomen, is wellicht niet zo vreemd. De tekst maakt de indruk van een toespraak met discussie tijdens een symposium, een “leermaaltijd”, zoals Joden zowel als niet-Joden die indertijd veelvuldig organiseerden.

Het is nu opmerkelijk dat het taalgebruik en de inhoud van de homiletische gedeelten, zo ook van onze perikoop, sterke verwantschap vertonen met het taalgebruik en de gedachtewereld van de Essenen, zoals we die kennen uit de Dode-Zeerollen, gevonden bij Qoemran.(6) Zij hadden zich teruggetrokken uit de tempel in Jeruzalem die in hun ogen bestuurd werd door de valse priesters van Sadducese huize. Zij leidden een nogal geheimzinnig leven in de woestijn van Judea en wachtten daar de komst af van twee messiassen, de priesterlijke ‘zoon van Aäron’ en de politieke ‘zoon van Israël’. Onder hun leiding zouden zij ooit teruggevoerd worden naar Jeruzalem om de tempel te reinigen en de ware offerdienst te herstellen. Het is echter zeer de vraag of Jezus zelf rechtstreekse confrontaties met de Essenen heeft gehad. In geen van de evangeliën, ook niet in het vierde, zijn daar voorbeelden van overgeleverd. Hoe moeten we dan deze sterk Esseens gekleurde gedeelten van het vierde evangelie verklaren?

Polemiek met de Essenen
Het is aannemelijk dat de uit Judea afkomstige Lazarus en de leerlingen uit zijn latere School – in tegenstelling tot Jezus zelf – wel confrontaties met de Essenen hebben gehad. Bethanië waaruit Lazarus afkomstig was en waar hij verbleef toen Jezus hem opwekte uit de doden (11:1 e.v.), lag immers dicht bij Qoemran. In die confrontaties met de Essenen had de School van Lazarus een eigen standpunt te verdedigen. Van Jezus hadden zij immers een andere benadering van de tempel en de offerdienst geleerd dan de afzijdigheid die de Essenen propageerden. Die benadering is in het vierde evangelie al verwoord in een van de eerste verhalen: Zolang de tempeldienst bestaat, doe je eraan mee en probeer je de gang van zaken te verbeteren (Joh. 2:13 e.v.), zodra echter de tempel is verwoest (2:19) – en dat was het geval toen dit evangelie aan het eind van de 1ste eeuw werd samengesteld –, streef je het doel van de tempeldienst – de intensieve omgang met de Eeuwige – na door als een rechtvaardige (tsaddiek) te leven uit de Schriften (Joh. 2:21-22). Dat is de aangewezen manier om de tempeldienst na zijn verwoesting weer tot leven te brengen. Ook in onze perikoop vinden we deze polemiek met de Essenen verwoord in begrippen die hun vertrouwd waren.(7) De tekst is echter zo complex en bij tijd en wijle zo cryptisch (à la het spraakgebruik van de Essenen), dat het onmogelijk is in dit korte bestek op alle verzen en woorden in te gaan. Bij een van de centrale begrippen in onze perikoop maak ik enkele kanttekeningen.

Verheerlijken en heerlijkheid
Zes keer komen in onze perikoop de woorden ‘heerlijkheid’ of ‘verheerlijken’ voor, toegepast op God, Jezus en de discipelen (na vers 13 nog twee keren).(8) Ook bij de Essenen speelden deze begrippen een belangrijke rol met betrekking tot hun ‘Leraar der Gerechtigheid’, de grondvester van hun beweging. Zowel hij (in de Dankpsalmen) als Jezus (in het vierde evangelie) stellen dat God zich in hen heeft groot gemaakt of verheerlijkt.(9) Het Griekse woord ‘heerlijkheid’ (doxa) betekent ‘aanzien’, ‘roem’ of ‘eer’. Die betekenis heeft echter een Griekse smaak. ‘Doxa’ is in de LXX de vertaling van het Hebreeuwse woord kavod, van het werkwoord kaveed, dat ‘zwaar zijn’ of ‘gewicht hebben’ betekent. In plaats van ‘verheerlijken’ kan men daarom wellicht beter vertalen met ‘gewicht toekennen’, ‘als belangrijk beschouwen’, ‘importantie verlenen’ of ‘van grote betekenis maken’. ‘Heerlijkheid’ en ‘verheerlij¬ken’ spelen in het vierde evangelie een belangrijke rol. Ze hebben betrekking op: het woord (1:14); de eniggeborene van de Vader (1:14); Jezus (2:11; 7:39; 12:16, 41; 16:14; 17:5, 10, 22, 24); de zoon van God (11:4; 17:1); God (11:40; 13:31, 32; 14:13; 15:8; 17:1, 4); de zoon des mensen (12:23; 13:31, 32); de naam van God (12:28); Jezus’ discipelen (17:22). Enkele malen is hierbij duidelijk dat Jezus zijn heerlijkheid (zijn “gewicht”) verwerft door de dood die hij bereid is te sterven (7:39; 12:16). De oudtestamentische wortels voor dit taalgebruik vinden we o.a. in de Tora, in het boek Exodus.(7)

Het vierde evangelie als Exodusmidrasj
Het vierde evangelie is qua woord- en beeldgebruik sterk geworteld in Exodus.(10) Ook in Exodus spelen ‘heerlijkheid’ en ‘verheerlijken’ een belang¬rijke rol, bijvoorbeeld in de volgende situaties: God zal zich verheerlijken aan de Farao en zijn leger (Ex. 14:4, 17, 18); de Israëlieten zullen de heerlijkheid van de Eeuwige zien (Ex. 16:7); de heerlijkheid van de Eeuwige verschijnt in een wolk (Ex. 16:10; 24:16) en is als verterend vuur (Ex. 24:17); de kleding van Aäron en zijn zonen is hun tot heerlijkheid en sieraad (Ex. 28:2, 40); de heerlijkheid van de Eeuwige zal de Israëlieten heiligen bij het morgen- en avondoffer (Ex. 29:43); Mozes vraagt de heerlijkheid van de Eeuwige te zien, die aan hem voorbij zal gaan (Ex. 33:18, 22); uiteindelijk neemt de heerlijkheid van de Eeuwige zijn intrek in de tabernakel om bij zijn volk te wonen op al hun tochten (Ex. 40:34-36). Dat de Eeuwige belangrijk voor hen is, mogen ze daarna dagelijks tonen door middel van de offerdienst.

Volgen we de gang van de heerlijkheid van de Eeuwige door het boek Exodus heen, dan zien we in een notendop waar het in dat Bijbelboek om gaat. Exodus is namelijk niet alleen het boek van de uittocht uit Egypte en de verbondss¬luiting op Sinai. Vanaf Ex. 25 is het belangrijkste thema van het boek de wijze waarop de Eeuwige bij Zijn volk zal wonen. Eerst krijgt Mozes veertig dagen lang te horen hoe de tabernakel, de tent van God, eruit moet zien (Ex. 25 - 31), daarna wordt de bouw van de tabernakel uitgebreid beschreven (Ex. 35 - 40). In het tussen¬stuk wordt de reden voor deze omzichtigheid duidelijk gemaakt: Men loopt met tempel- en offerdienst het grote gevaar terug te vallen in een heidense beleving van de relatie tot God. Daarvan is het gouden kalf het symbool bij uitstek: Het volk wenst een fysisch-metafysische relatie met God. Het wil het Opperwezen met de ogen zien, kennen, doorgronden, bij zich hebben, vast houden. Het wil een God als een talisman, die bescher¬mend voor het volk uittrekt (Ex. 32). Maar God wenst allereerst een moreel-ethisch-legislatieve (halachische) relatie tot de mens te hebben (Ex. 33). Daarvan zijn de stenen tafelen met de Tien Woorden de concretisering bij uitstek (Ex. 34). Eerst als aan die voorwaarde van moraal, ethiek en recht is voldaan, dan neemt de Eeuwige, Hij zij gepre¬zen, zijn intrek bij de mensen.

Het is tegen deze Exodusachtergrond dat de begrippen ‘heerlijkheid’ en ‘verheerlijken’ in het vierde evangelie kunnen worden gezien. Als Mozes het werk aan de tabernakel heeft voleindigd, komt de heerlijkheid van de Eeuwige wonen bij Zijn volk (Ex. 40:33-34). Onze perikoop knoopt hier woordelijk bij aan: Jezus verheerlijkt God op aarde door het werk van God te voleindigen (Joh. 17:4). Hoe kan aan het einde van de 1ste eeuw CJ – in een tijd waarin de tempel verwoest is – de heerlijkheid (de importantie) van God bij de mensen wonen? Is het niet de tsaddiek, de rechtvaardi¬ge mens, die een waarachtige moreel-ethisch-legisla¬tieve relatie met God de Vader onder¬houdt, die als een nieuwe tempel de heerlijkheid van de Eeuwige in deze wereld doet wonen? En zijn het niet de volgelingen van de tsaddiek die door hun navolging hetzelfde dienen te doen (Joh. 14:23; 17:22)?

Slotopmerking
De hoofdstukken 15-17 van het vierde evangelie zijn geen originele woorden van Jezus zelf. Dat blijkt bijv. uit de uitdrukking “Jezus Christus” in vers 3. Dat is een zelfaanduiding zoals Jezus nergens voor zichzelf gebruikt in de evangeliën. Inhoudelijk weerspiegelen deze hoofdstukken een latere reflectie uit de School van Lazarus op de betekenis van Jezus’ leven, leer en dood, zoals die verteld worden in de narratieve gedeelten van dit evangelie. Dat die reflectie in de mond van Jezus zelf werd gelegd, was een zeer gebruikelijk literair procedé in die tijd, ook in het Jodendom. De schrijver was er immers van overtuigd dat Jezus in aanwezigheid van zijn leerlingen dergelijke woorden had kunnen spreken om hen te wapenen tegen de opvattingen van de Essenen. Deze achtergrond van polemiek met de Essenen kan ons, moderne gelovigen, helpen de woorden van dit evangelie te herontdekken vanuit hun oorspronkelijke Joods-ethisch-morele perspectief.

Noten
1. Zie mijn bijdrage voor zondag 2 februari 2017 over de ‘Opstanding van Lazarus’ (Johannes 11:1-44).
2. Zie mijn boek ‘Het evangelie uit het leerhuis van Lazarus’ (Ten Have, Baarn 1996), hoofdstuk 26.
3. Gangbaar is om in 1:12 en voorgaande verzen het Griekse autou/auton theologiserend met ‘Hem’ (d.i. Jezus) te vertalen. Omdat deze woorden terugslaan op ‘het Woord’ is het correcter om in het Nederlands met ‘het’ te vertalen. Zou men ‘het Woord’ parafraserend met ‘de Tora’ weergeven, dan zou men in deze verzen zelfs met ‘haar’ moeten vertalen. Zie eens welk een andere betekenis van dezelfde teksten dan ontstaat!
4. Zie bijv.: W. Zuidema e.a. (1980). Isaak wordt weer geofferd : De verwerking van de Holocaust door jodendom en christendom. Ten Have : Baarn.
5. Zie mijn bovengenoemde boek, hoofdstuk 4.
6. Idem, hoofdstuk 20 t/m 22.
7. De Essenen zijn weliswaar in 70 CJ als beweging ten ondergegaan in de “Joodse oorlog”, maar hun aanhang was daarmee niet onmiddellijk verdwenen in Judea.
8. Ik ga hier uit van de NBG-vertaling uit 1951. De Nieuwe Vertaling uit 2004 vertaalt ‘doxa’ niet meer met ‘heerlijkheid’, maar verschillend afhankelijk van de context, waardoor de samenhang tussen de teksten verloren gaat.
9. Vergelijk Joh. 11:4; 12:23, 27-28; 13:31-32; 14:13; 17:1, 5 bijvoorbeeld met 1QH 1:34; 2:24; 4:8, 23; 11:3.
10. Zie mijn bovengenoemde boek, hoofdstuk 28.