Joods-Christelijke Dialoog

Matteüs 02: 1-18 - Bart Gijsbertsen

Zondag 5 januari 2020

Kerkelijk jaar: Epifanie
Synagogaal jaar: op sabbat was aan de orde Sidra Wajigasj (Genesis 44:18 – 47:27)

Door Bart Gijsbertsen

Paus Gregorius de Grote (590-604) begreep dat ‘Epifanie’ tot inhoud had de ‘verschijning’ (oftewel advent/komst) van de Messias in de wereldgeschiedenis en aan het eind der tijden. De ‘zondagen van epifanie’ begonnen in zijn tijd nog in de slipstream van het Loofhuttenfeest. Maar juist deze paus verkortte de Advent tot vier zondagen voor Kerstfeest; en onbedoeld werd zo de aandacht gericht op de geboorte van de Christus in plaats van op zijn totale en uiterste verschijning. Menigeen staart hierdoor begin januari nog met wat weemoed achterom naar Kerst terwijl de epifanie nog gaande is en de blik blijvend op de toekomst zou moeten zijn gericht.

Op deze zondag vinden we Matteüs 2: 1-12 op het leesrooster. Daarna slaat het rooster ‘de kindermoord’ en de ‘vlucht naar Egypte’ over om direct de ca 30-jarige Jezus gedoopt te zien worden. Dat gaat me te snel en vind ik vooral buitengewoon oneerlijk ten opzichte van wat de moeders van Bethlehem te verduren krijgen vanwege de komst van de Messias. Ik zou dus minstens tot en met vers 18 voorlezen.

Matteüs laat zien dat de verschijning van de Messias in onze wereld met veel donker gepaard gaat. En het zijn bij hem vooralsnog alleen gojiem, heidenen, die in dat donker het licht zien. Zij hebben in de zodiac een bijzondere conjunctie gezien betreffende ‘het huis van Israel’. In oude kathedralen als die van Chartres wordt de zodiac vaak afgebeeld; met in het midden van de tijd een verwijzing naar de verschijning van de Messias.

Het is goed mogelijk dat de oude profetie van Bileam – wellicht via Daniël en andere ballingen – onder de Babylonische sterrenkundigen bekend was.
Tijding van één die hoort de gezegden Gods, die weet wat te weten is van hem-in-den-hoge; die de aanschouwing van de Geweldige schouwt, neervallend met de ogen ontbloot: ik zie hem maar niet nú, ik bespeur hem maar niet nabij: een weg baant zich een ster uit Jakob, opgestaan is een stamstaf uit Israël; hij heeft de slapen van Moab versplinterd, doorboord alle zonen van Set; geworden is Edom tot erfgoed, geworden tot erfgoed is Seïr,- eens zijn vijanden; terwijl Israël kracht betoont; er heerst er één uit Jakob,- die wat ontsnapt uit de stad doet teloorgaan!
Num. 24:16vv. in de Naardense Bijbel

Degene die de bevindingen van de magiërs bloedserieus neemt, is koning Herodes. Daarmee zijn we gelijk bij een belangrijk thema voor Matteüs: het koningschap van Jezus tegenover koningen als Herodes (vgl Lucas die Jezus zet tegenover de kurios Caesar). Mogelijk roept Matteüs ook de controverse tussen Jakob en Ezau, tussen Israel en Edom, op. Dat zou de profetie van Bileam des te intrigerender maken. Want in die profetie wordt aangekondigd dat Jakob zal heersen over het volk van Edom en over hun gebied Seïr, als ‘de ster uit Jakob’ opgaat. En Herodes is een Edomiet.
De reactie van koning Herodes is navenant. Onomwonden klinkt zijn vraag tot de schriftgeleerden waar de Messias (de koning der Joden; vgl. Matt.27:11) geboren zou worden. Het Donker in deze wereld reageert gealarmeerd op de epifanie. Bij de schriftgeleerden die door Herodes worden geraadpleegd lijkt daarentegen geen enkel alarm af te gaan. Als instrumentele richtingaanwijzers citeren ze de Schriften.
Het zijn gojiem die korte tijd later in het huis van Jozef en Maria voor de eenjarige peuter knielen als ‘licht der wereld’.

Vervolgens krijgt het Donker verschrikkelijk gestalte in het handelen van koning Herodes. De naam Betlehem-Efrata – ook wel Betlehem-Rama genoemd – had toch al een zwaar beladen klank. Het is de plek waar Jakob zijn vrouw Rachel moest begraven. En rond dat graf van Rachel was in de tijd van Jeremia een doorgangskamp voor wie gedeporteerd werden naar Babel. Dat geeft die plaats een klank als bij ons Vught of Westerbork.
En rond dit graf van Rachel huilen de moeders van Betlehem om hun vermoorde kinderen.

Hij poogt d'Onnoozle te vernielen
door 't moorden van onnoozle zielen,
en wekt een stad- en landgeschrei
in Bethlehem en op den akker
en maakt de geest van Rachel wakker,
die waren gaat door beemd en wei.
De tweede strofe van een gedicht van Joost van den Vondel. In liedbundels oa verschenen als Gezang 154 (Liedboek 1973), Lied 510 (Liedboek 2013).

De woorden van troost die Jeremia spreekt over Rama (Jer. 31:15-17), helpen die?
Staat de verlossing uit de ballingschap in verhouding tot de pijn en weeën die eraan voorafgaan?
Hoe serieus neem je mensen die niet getroost willen worden, als je ze, zoals Jeremia c.q. God zelf, tóch voorhoudt ‘weerhoud je stem van geween en je ogen van tranen’?
En wie verwacht nu een epifanie in ‘Westerbork’?

Het enige wat Jozef en Maria rest lijkt op een weerspiegeling van Sidra Wajigasj: als Jakob/Israel je heil zoeken (met c.q. bij de Messias) in Egypte.