Joods-Christelijke Dialoog

Kolossenzen 01: 21-27

Zondag 17 juli 2016 
Zondag 21 juli 2019


door Theo Witkamp

Vs. 21-23 vormen de afsluiting van de berakha, terwijl vs. 24-27 het begin van een gedeelte zijn dat handelt over de apostel en zijn dienst (1:24-2:5). In het slot van vs. 23 wordt de overgang tussen beide gedeelten gemaakt. We halen twee elementen uit dit tekstgedeelte naar voren: allereerst het onderscheid dat tweemaal gemaakt wordt tussen 'vroeger' en 'nu', vervolgens vs. 24 met de woorden 'aanvullen wat er nog aan Christus' lijden ontbreekt'.

Met het scherpe onderscheid tussen vroeger en nu (vs. 21-22) worden de taal van de bekering uit vs. 12-14 en gedachten uit de hymne vs. 15-20 weer opgepikt. Het voorchristelijke bestaan wordt, conform bepaalde Joodse interpretaties van het heidendom, zeer negatief gewaardeerd. De vijandschap jegens en de vervreemding van God, die hiervan het kenmerk zijn, zijn nu echter vanuit God zelf overbrugd: Hij heeft jullie verzoend, d.w.z. hij heeft vrede gesticht, de breuk geheeld, de vijandschap overwonnen (vgl. Ef 2). Dit is geschied door een machtsdaad, die erg paradoxaal is: door de gewelddadige dood aan het kruis van de geliefde Zoon. Onvermeld blijft op welke wijze de verbinding tussen deze dood en de verzoening (in de zin van pacificatie, vrede stichten) gedacht kan worden. Wel lezen we dat het doel ervan is dat elke mens onberispelijk en volmaakt voor de rechterstoel van God en Christus kan staan (1:22,28).

Over het onderscheid tussen vroeger en nu lezen we opnieuw in vs. 26-27. Nu gaat het om het mysterie, het verborgen plan van God, dat vroeger aan iedereen onbekend was, maar nu onthuld is. Het idee van een verborgen plan van God voor het eind der tijden, dat nu geopenbaard wordt aan enkelen, stamt uit de Joodse apokalyptiek (bv. Dan 2:28-29; 4 Ezra 14:5; 2 Baruch 81:4). Het gedachtenschema treffen we regelmatig aan in het NT (1 Kor 2:7-10; Rom 16:25-27; Ef 3:3-10; 1 Tim 3:16; 2 Tim 1:9-10; Tit 1:2-3; 1 Petr 1:20). De bedoeling in vs. 26-27 is, dat men zich realiseert hoe gepriviligeerd men is: men kent en heeft deel aan het uiteindelijke plan van God dat zich hier en nu aan het realiseren is in Christus en de verkondiging van het evangelie in de wereld!

Dit kennen en deel hebben is niet alleen instemmen met een waarheid, maar het neemt de hele mens in beslag. Dat wordt nog eens duidelijk uit de woorden van vs. 24, waar we lezen dat Paulus zich verheugt over zijn eigen lijden voor hen en dat hij in zijn lichaam mag aanvullen wat er nog aan Christus' lijden ontbreekt. Het zijn verrassende formuleringen, totdat we zien dat ze niet in soteriologische, maar in participatieve zin bedoeld zijn. Er ontbreekt niets aan het reddingswerk van God in Christus, maar wie deelheeft aan Christus heeft ook deel aan zijn weg en aan zijn lijden. Het gaat om de imitatio Christi (vgl. bv. 1 Kor 4:9-13; 2 Kor 1:5; 4:7-12; 11:23-28; Gal 6:17; Rom 8:35) en de strijd die de apostel voor zijn gemeente voert (vgl. Kol 2:1; Gal 4:19; 2 Kor 1:6). Deze weg van het kruis is nog niet afgelopen.