Joods-Christelijke Dialoog

Johannes 1, 03: 18-24.

Zondag 30 december 2018

Door Bart Gijsbertsen

De allereerste taak van ieder mens is het verwezenlijken van zijn unieke mogelijkheden die nooit eerder zijn vertoond […]. Dit idee heeft Rabbi Soesja even voor zijn dood zo uitgedrukt: “In de andere wereld zal me niet worden gevraagd: ‘Waarom ben je niet Mozes geweest?’ Mij zal worden gevraagd: ‘Waarom ben je niet Soesja geweest?’”. (Martin Buber)

‘Wees uzelf’, sprak ik tot iemand, maar hij kon niet, hij was niemand. (P.A. de Génestet).

Stel jezelf de eerstvolgende keer dat je in de spiegel kijkt de vraag: Wat zie ik daar voor mij? Ik herken mijn lichaam, maar kan ik ook de ziel daarin ontdekken? Ik besteed aandacht aan alles wat mijn lichaam nodig heeft, maar geef ik mijn tere ziel dezelfde aandacht? En tenslotte: Ik weet wat ik nodig heb, maar weet ik ook waarvoor ik nodig ben? (Menachem Mendel Schneerson)

Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van u houd. (Petrus)

Geloven, hopen en liefhebben zijn voor Johannes, als rechtgeaarde Jood, geen cerebrale oefeningen of fenomenen die alleen het innerlijk leven betreffen, maar ze zijn zichtbaar door de concrete invulling die zij in het leven van een gelovig mens krijgen. Alleen in die concretie kunnen we met een gerust hart voor God verschijnen (vers 19).
Dat werpt de vraag op wat we zien als we in de spiegel kijken.
Een puber zal daar vooral lichamelijkheid zien en meestal dingen die hij of zij graag aan zichzelf zou willen veranderen. Maar als we de puberteit achter ons hebben gelaten, als we weten dat ons uiterlijk niet het belangrijkste is, dan zouden we een rijper iemand in de spiegel moeten zien: iemand bij wie lichaam en ziel in balans zijn, bij wie woord en daad één zijn, bij wie liefhebben een werkwoord is. Dus: wie is dat, die ik daar zie (Schneerson)?
Wie ben ik? Eén van de moeilijkste vragen in ons leven.

Psychologen hebben de handen vol aan het ontwarren van de processen die ons geweten hebben gevormd en bepalend zijn geworden voor wat we in de spiegel zien. Als die gewetensvorming gepaard is gegaan met een flinke religieuze lading wordt het meestal nog ingewikkelder. Want als de oordelen over jezelf samenvallen met een godsoordeel, hoe worstel je je daar ooit nog uit? De woorden van Johannes over een ‘gerust hart’ lijken dan een utopie.

Aansluitend op vers 19 klinken de woorden van Johannes in vers 20 als een apotheose. JHWH (ho theos – dus met lidwoord) is een en al liefde. En deze God is groter dan mijn eigen (ongeruste) hart, zijn weten overstijgt mijn (ge)weten, zijn liefde is groter dan de stem in mijzelf die mij aanklaagt.
Geloof je in Hem en deze liefde, dan mag je fundamenteel naar jezelf kijken met de ogen van Degene die zoveel van je houdt. Er is de ENE die zegt: Ik aanvaard je zoals je bent, met jouw mogelijkheden en onmogelijkheden. En wees dan die unieke, bedoelde mens die je bent voor mijn aangezicht; zoals Mozes en zoals Soesja voor mijn aangezicht hun unieke levens hebben geleefd.

Als God mij in Christus aanvaardt, wie ben ik dan om mijzelf niet te aanvaarden? Dan zou ik me opstellen als een godje tegenover God en zijn liefde. Gods liefde drijft de vrees uit (1 Joh. 4:18). Ik mag en kan naar Hem toe niet achterblijven, mag en kan niet persisteren in een levenshouding waaruit wantrouwen zou spreken jegens zijn liefde. Woord en daad moeten één worden.
Dat geldt dan eveneens – omdat bij deze God ook de medemens direct in beeld komt – voor mijn levenshouding ten opzichte van de mensen om mij heen die van mij houden. Als ik me niet laat verheffen door de liefdevolle blik in hun ogen, blijf hangen in negatieve beelden over mijzelf, doe ik ze verdriet omdat ik niet op hun liefde ga staan, hen dus in feite niet vertrouw. Nogmaals: geloofsvertrouwen betekent fundamenteel naar jezelf kijken met de ogen van degene die van je houdt, én daaruit leven.

Johannes eindigt dit hoofdstuk met - van vers 21 t/m 24 – vrijwel letterlijk Jezus te citeren, zijn beeld van de wijnstok en de ranken (Joh. 15:1-10); een beeld dat intimiteit ademt, dat weet van kennen en gekend zijn, dat culmineert in concreet vruchtdragen tot glorie van de Wijngaardenier – vraag wat je maar wilt (vers 22; vgl. Joh. 15:7 en Gal. 5:22v.).

In de spiegel zie ik een bemind en vrij gesproken mens. Ik mag er zijn. Pasen creëert opgewekte mensen die zich aan het Woord houden, letterlijk en figuurlijk.
Cantate Domino.

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.