Joods-Christelijke Dialoog

Romeinen 13: 8-10

Zondag 10 september 2017
Zondag 1 december 2019

‘Zijt niets schuldig dan liefde’

door Peter Tomson

Zie ook de
Inleiding die Peter Tomson schreef bij de perikopenreeks uit Romeinen.

Uit de algemene aanbevelingen van Rom 12-13 kiest het rooster opnieuw een geliefde maar zeer algemene regel: de naastenliefde. De lezing uit Ez 33:7-11 (‘als wachter aangesteld’) sluit hier niet op aan, en ook het evangelie, Mat 18:15-20 (‘binden en ontbinden’) heeft een eigen boodschap.
Voor de Romeinen zelf was de aanbeveling van de naastenliefde trouwens niet zo heel algemeen. In 13:1-7 heeft Paulus hen aanbevolen, zich aan het gezag van de keizer en zijn mannen te onderwerpen, want zij ‘dragen het zwaard niet tevergeefs’ (13:4). De keizer in kwestie was Nero, die zich enkele jaren later zou ontpoppen als een volstrekt willekeurige en wrede tiran, m.n. tegenover de christenen. Paulus kon dat nog niet weten. Hij zal eerder gedacht hebben aan de verbanning uit de stad van de Joden door Claudius in 48/49 n. Chr., die langzamerhand was verwaterd (zie inleiding op website). Voor de Joodse christenen en hun heidenchristelijke geloofsgenoten was het evengoed nog oppassen geblazen, en zij moesten zich aan de wet houden. Daarop haakt onze aanbeveling in: ‘Wie zijn naaste liefheeft, heeft de wet vervuld’ (13:8). M.a.w. de keizer kan ze dan niets maken. Maar intussen denkt Paulus natuurlijk ook nog steeds aan de gespannen verhouding tussen Joden en niet-Joden in de Romeinse kerk. Bij Paulus zijn de dingen nooit simpel.
De ‘samenvatting van de wet’ in het gebod van de naastenliefde was niet alleen een geliefd thema bij Jezus, maar ook bij de rabbijnen, en kennelijk ook bij de Farizeeën vόόr hen. Sterker nog: in verschillende vormen is het een hoofdregel van alle humane denkers. De zgn. ‘gulden regel’ wordt niet alleen aan Confucius toegeschreven, maar ook aan de Farizese wijze Hillel: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook aan een ander niet’. Van Jezus wordt een positieve vorm overgeleverd: ‘Zoals jij behandeld wilt worden, behandel zo de ander’ (Mat 7:12). Hillel verbindt het met het bijbelse gebod, ‘heb je naaste lief als jezelf’ – kennelijk met de bedoeling om te zeggen: want je naaste is net als jezelf. Ook Jezus leert dit gebod, en hij verbindt het met het andere liefdegebod: ‘Heb God lief boven alles’ (Mat 22:37-40). Matteüs laat weg wat zijn grondtekst bovendien vermeldt: de schriftgeleerde die Jezus de vraag had gesteld is het met diens antwoord eens en bouwt er nog op voort! (Mar 22:32-34).
Deze door Matteüs verzwegen overeenstemming tussen Jezus en de schriftgeleerde vindt bevestiging in een Perzisch-joodse midrasjverzameling uit de achtste eeuw, Sfeer Piron Tora, waarin het dubbele liefdegebod bewaard is, waarschijnlijk geput uit een veel oudere rabbijnse bron (zie D. Flusser, Tussen oorsprong en schisma, Hilversum 1984, 78v., n. 7a).