Joods-Christelijke Dialoog

Romeinen 15: 4-13

Zondag 4 december 2016
Zondag 8 december 2019


Eendrachtig en eensgezind


Door Peter Tomson

Brieflezing bij Jes. 11:1-10 (de stronk van Isaï) en Mat. 3:1-12 (Johannes de Doper).

De pericoop begint bij v4, kennelijk om een “algemeen toepasbare” lezing te verkrijgen. Ze loopt echter van v1-13. Het is het derde gedeelte van het meest praktisch gerichte stuk van Romeinen, 1:14-15:13, over de “zwakken” die “alleen vlees eten” en “bepaalde dagen onderscheiden”. Käsemann e.a. willen hier vegetariërs (Pythagoreeërs) in zien, wat ook best kan meespelen, maar het gaat duidelijk om joodse christenen: in v7-13 worden “besnedenen” en “heidenen” opgeroepen uit één mond de éne Heer te loven, kennelijk tot het dankgebed na de gezamenlijke maaltijd (eten: 14:1-6, 14, 20-23). Dit raakt aan het hoofdthema van Romeinen.
Romeinen betreft immers vanaf 1:16-17 “eerst de Jood maar ook de Griek” en benadrukt niet alleen het falen van beiden, maar ook de voorrechten en plichten van de besneden Jood (2:28-3:2, vgl. 9:1-5). Rom. 9-11 gaat over de uiteindelijke redding voor Israël en de “volken” of heidenen, waarbij de heidenen “niet overmoedig” moeten zijn (11:13, 20) maar hun plaats weten t.o. Israël, ook als dat zondigt. Want Gods genadegaven zijn onherroepelijk (11:29). God is onopgeefbaar verbonden met Israël en daarom de heidenchristenen ook.
15:1 “wij die sterk zijn” sluit Paulus in, minstens retorisch. De implicatie is dat Paulus zich anders gedraagt dan de joodse christenen voor wie hij begrip en ruimte vraagt. Dit moet niet betekenen dat hij alles eet en dus de spijswetten opzij gezet heeft (Rom. 14:21!). Het betekent eerder dat hij die wetten minder angstig interpreteert dan die joods-christelijke broeders en zusters.
Een illustratie hiervan hebben we voor ogen in Gal. 2:11-14. Paulus, Barnabas, Petrus en de overige Joden in de Antiocheense kerk zitten samen met de heidenchristenen aan de gemeentemaaltijd, totdat mannen ‘van Jakobus’, dus uit Jeruzalem, ze anders komen leren. Er broeit wat in Jeruzalem en Judea, halverwege de jaren 50, en dat heeft te maken met groeiende weerzin tegen het heidendom en verzet tegen de Romeinen, met nadruk op wet en besnijdenis als vanzelfsprekende keerzijde. Deze ‘zelotische’ mentaliteit steekt ook vele joodse christenen aan – zoals die mannen die naar Antiochië gekomen zijn. Paulus blijft rustig bij het eerder bevochten compromis (Gal. 2:1-10), volgens hetwelk jodenchristenen en heidenchristenen elkaar wederzijds respecteren.
Diezelfde vastbeslotenheid komt naar voren in Rom. 15:7-13. Daar haalt Paulus allerlei verzen bij elkaar waarin de volkeren/heidenen naast Israël/besnedenen voorkomen. Verbindingen met Jes. 11 en Mat. 3 liggen voor het oprapen. Een mooie gelegenheid om Jesaja en Matteüs (oproep aan Israël) te leren lezen in het inclusieve perspektief dat Paulus biedt!