Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 26 september 2021

door Hans Schravesande

De aanklacht van de rijken in Jakobus 5, 1-6 is een tekst die veel verwijzingen kent naar de joodse bijbel (O.T.) en naar uitspraken van Jezus zoals in de Bergrede. Wij kunnen deze tekst lezen als een voortzetting van het profetische ambt van Jezus, aansluitend bij de profetische aanklachten in het O.T. (vgl. Jak 5, 10). Daarbij is, zoals in het geheel van de brief van Jakobus, de Thora als richtinggevend verondersteld (vgl. bijv. 5, 4 met Deut. 24, 14-15).

Deze tekst veronderstelt wat staat in Jakobus 2, 1-9. Verbanden met het O.T kunnen gezien worden in relatie tot Genesis 4, 10 (‘Hoor toch hoe het bloed van van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt’), Psalm 37 en Jes. 53,7 (‘Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open’). Jak. 5, 6 over de rechtvaardige die zich niet heeft verzet verbindt deze O. T. teksten met de geschiedenis van Jezus.
Bij de aanklachten van Jezus ten aanzien van de rijken wordt de achtergrond gevormd door de positie van de kleine boer of van de landlozen die werden uitgebuit door de rijkere groepen, waaronder de hoogste priesterkaste die verbonden was met de tempel. Jakobus en de gemeente van Jeruzalem kenden armoede en uitbuiting uit eigen ervaring. Paulus noemt deze gemeente twee maal ‘de armen’(Gal. 2, 10; Rom. 15, 26) Later werd deze gemeente, met een eigen theologie en christologie, aangeduid als de ‘Ebionieten, wat ‘armen‘ betekent.
Jakobus schrijft aan de twaalf stammen in de diaspora. Ook buiten Palestina, in het geheel van het Romeinse rijk, was er deze kloof tussen arm en rijk. Hoewel hij primair aan joodse christenen schrijft waren de banden met de overige joden soms nog zo sterk (het beginnend christendom als een joodse sekte), dat het ook als een vraag van een jood aan alle joden verstaan kan worden. De arm-rijk problematiek wordt geplaatst in het kader van een acute messiaanse verwachting (vs. 7: ‘Heb geduld, broeders en zusters, tot de Heer komt’). Ook bij andere joodse groepen in die tijd was er vanuit de messiaanse verwachting een aanscherping van de klacht tegen de rijken. De felheid van de woorden van Jakobus laten zich moeilijk verbinden met een sociale situatie die vooral zou voorkomen binnen de vroege joods-christelijke gemeenten. Het is een klacht met een bredere strekking, die de hele samenleving betreft.

A. F. Klijn begint zijn commentaar op de brief van Jakobus met: ’Velen denken dat de brief van Jakobus alleen maar bestaat uit allerlei vermaningen, die moeilijke actueel te maken zijn’. De nieuwtestamenticus Martin Hengel wijst er aan het slot van zijn boek ‘Eigentum und Reichtum in der fruhen Kirche’ op dat het geloof in het op handen zijn van het Rijk van God het moeilijk maakt om de nieuwtestamentische teksten op onze tijd toe te passen. De rol van de staat in onze tijd, voor zover die een verzorgingsstaat is, schept ook afstand tot de teksten. Hengel ziet de de toepassing in het heden vooral in de individuele ethiek: ‘de bereidheid tot het weigeren van consumptie en het afzien van luxe in een wereld waarin verkwisting en armoede maar al te vaak samengaan, kan zeer zeker vanuit de christelijke traditie gemotiveerd worden’.
Hoewel altijd een waagstuk kan de actualisering toch verder gaan dan Hengel suggereert. Waarbij de vraag gesteld mag worden of en hoe de profetische prediking van Jezus en Jakobus in onze tijd nog ruimte kan en mag krijgen. Er lijkt een taboe te rusten op profetisch prediking wat betreft sociale en politieke vragen. Maar ‘het loon dat de arbeiders onthouden wordt’ leidt direct tot de inzet voor fair-trade producten, vooral in relatie tot arbeidsomstandigheden. Daarbij wijst de tekst er op dat de rijkdom al verrot is en door de mot is aangevreten. Dat is niet een eindresultaat na het laatste oordeel, maar actuele realiteit. Het goud en zilver zijn verroest doordat de rijkdom niet is ingezet ten behoeve van de armen. Hoe zijn wij ‘vetgemest’ (vs. 5) in de consumptiemaatschappij?
Mag hier de homiletische sprong gewaagd worden naar de aantasting van de hele samenleving door de coronacrisis, of sterker nog naar de klimaatcrisis? Die doortrekken onze samenleving, roepen radicale nieuwe verdelingsvragen op, zoals naar de beschikbaarheid en verdeling van vaccins,en de verdeling wereldwijd van de milieugebruiksruimte. Of worden we uitgedaagd nog verder te springen en ons af te vragen of en hoe de genoemde crises toch ook niet verbonden kunnen en moeten worden met bijbelse begrippen als oordeel en de laatste dagen? Hoe verhoudt zich daarbij de noodzakelijke activiteit tot het geduld waartoe Jakobus in 5, 7 oproept? Hoe kan apocalyptiek bijbels verantwoord weer actueel worden? Is er een bijbelse crisistheologie nodig, die mede de actualiteit van de Jakobusbrief onderstreept?

Verbanden met de andere lezingen voor deze zondag zijn niet eenvoudig. Ik zie twee mogelijkheden. In Marcus 9, 42 is sprake van ‘geringen die in mij geloven’ (mij hun vertrouwen geven). Geringen zijn armen en onaanzienlijken. En er kan een verband zijn met het opnemen van kinderen in het voorgaande. (9,37). In de tijd van Jezus waren er zwerfkinderen die door de armoedesituatie van hun ouders in die positie gekomen waren. En uit de O.T. lezing: Num. 11, 29 waar Mozes zegt:’Profeteerde iedereen maar!’.