Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 12 april 2020

Kort na de uittocht uit Egypte komen de Israëlieten in een knelsituatie met de Rietzee vóór zich en het oprukkende Egyptische leger achter zich. Men vreest in de woestijn te zullen sterven. De Israëlieten spreken JHWH en Mozes aan. Door Mozes worden zij op Gods redding (ישע) gewezen. De achtervolging door de Egyptische legermacht zal niet hun dood betekenen.
Na de tiende plaag verandert de farao eindelijk van inzicht. De plaag treft hemzelf ook gevoelig in eigen huis met de dood van zijn opvolger (Ex. 12:29). Hij laat de Israëlieten gaan (Ex. 12:31-32: “Gaat, dient JHWH, zoals jullie gezegd hebben.”).
Nadat men de eerste Pesach in Egypte heeft gevierd (Ex. 12), trekt Israël op, de woestijn in (Ex. 12:37). Het volk is door God bevrijd (Ex. 12:42.51; 13:3.14.16; [15:13]). In de nacht vertrekt men uit het land van de slavernij (Ex. 12:42).
Twee routes zijn mogelijk: langs het land van de Filistijnen of door de Rietzee met daarachter een tocht door de woestijn. Men neemt op Gods bevel de tweede route, een omweg (Ex. 13:17-18). “Wie weg wil uit Egypte met zijn … verslavende bestaan, moet de moeilijke weg nemen – door de zee en woestijn. Deze zal de doorzetter echter als vaste grond onder de voeten worden, en voedende manna en levend water geven.” (L. Mock, NIW 26.1.2018)
Na omzwervingen komen de Israëlieten bij de Rietzee (Ex. 14:2). God veronderstelt dat de farao daaruit zal concluderen dat het volk is vastgelopen (Ex. 14:3). Dan zou de farao op de gedachte kunnen komen om het volk terug te gaan halen. De Eeuwige zal hem, zegt Hij tegen Mozes, dan in die gedachte versterken (Ex. 14:4), zodat de farao dat daadwerkelijk gaat doen. Dan zal JHWH zich in al zijn glorie en majesteit aan de farao en zijn leger laten zien. Egypte zal weten dat Hij de God van Israël is. Kort na het vertrek uit Egypte komt de farao inderdaad terug op zijn besluit het volk te laten gaan (Ex. 14:5-7). De uittocht wordt hier als vlucht aangeduid (Ex. 14:5). Men stelt de vraag waarom men de arbeidskrachten heeft laten vertrekken. Hierop mobiliseert de farao zijn complete legermacht en trekt achter de Israëlieten aan (Ex. 14:6-7). Zo wordt zijn verharding expliciet (Ex. 14:8). Maar Israël gaat verder. Zij waren immers onder Gods bescherming onderweg (Ex. 13:21-22; 14:8).
Aan het begin van de te lezen passage wordt verteld dat het machtige Egyptische leger (verwijzing naar Ex. 14:6-7) de Israëlieten inhaalt bij de Rietzee (verwijzing naar Ex. 14:2). Wanneer de Israëlieten de achter hen opgetrokken legermacht zo dichtbij zien, leidt dat tot enorme paniek. Deze mensen in doodsangst schreeuwen om hulp tot de Eeuwige (Ex. 14:10), zoals in Ex. 2:23; toen liet God zien dat Hij luistert naar de noodkreten van mensen. Daarnaast opponeert men tegen Mozes (Ex. 14:11-12). Het gebeuren van de bevrijding uit Egypte wordt nu als zijn onderneming gezien: “Wat heb jij ons aangedaan door ons uit Egypte te doen optrekken?” Een dergelijke oppositie was ook al te horen in Ex. 5:21, na de verzwaring van de werklast in Egypte, en klinkt weer in Ex. 17:3. Slavendienst in Egypte wordt als verkieslijker voorgesteld, want de bevrijding lijkt alleen maar tot de dood in de woestijn te leiden (Ex. 14:12). Dienen tegenover sterven in de woestijn: dankbaarheid voor de bevrijding en vertrouwen in de toekomst lijken geheel te ontbreken.
Mozes reageert niet op de persoonlijke aanval, maar roept in zijn antwoord (Ex. 14:13-14) het volk op niet bang te zijn, standvastig te zijn en te letten (“zien”) op de bevrijding die JHWH zal geven. Die verlossing is zeer dichtbij: “vandaag”. De Egyptenaren die men vandaag ziet, zal men niet weer zien. De Eeuwige zal voor zijn volk strijden. “De echte strijd tegen het kwaad wordt in Tora niet gevoerd door mensen, maar door God zelf.” (A. Ringer, NIW 18.1.2019). Israël hoeft hier geen hand uit te steken; men mag “stil zijn”. Het is ook een stilte van verwondering dan wel schrik over Gods grote macht (cf. Hab. 2:20). Dankbaarheid klinkt in Ex. 15, waar Mozes en Mirjam het volk voorgaan in lofzang op de God die streed voor zijn volk.