Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 21 januari 2018
Zondag 8 maart 2020


door Bart Gijsbertsen

Friedrich-Wilhelm Marquardt vraagt zich op enig moment af hoe en waar de apostelen taal hebben gevonden om het leven van Jezus te omschrijven. Zijn antwoord: met en in het Hebreeuws idioom en de Hebreeuwse verhalen. Alles wat Jezus doet is een herneming van de geschiedenis van Israel – in principe de roeping van iedere Jood. Marquardt interpreteert de verhouding OT en NT dan ook niet in termen van dialectiek of verwachting-vervulling, maar in termen van een doorgaande joodse herneming van de geschiedenis die Jezus deels verwekt of waarin Jezus zichzelf terugleest.
Als Petrus later vertelt waarvan hij ooggetuige was ‘op de heilige berg’, dan blijkt dit voor hem de reden te zijn het woord van de Schriften meer dan ooit vast te houden. Zonder die Schriften, zonder de geschiedenis van God met Israel, zou hij geen taal hebben gehad voor Jezus. Nu wel. En, zo stelt hij, door Jezus is zijn vertrouwen in ‘wet en profeten’ alleen maar toegenomen.
Anders gezegd: op Jezus krijg je geen zicht los van Mozes en Elia, los van de verbondsgeschiedenis tussen God en Israel. Jezus is om zo te zeggen net zoals Jozua in Exodus ‘de dienaar van Mozes’; ‘dienaar van de besnijdenis’, zo formuleert Paulus.

Door die totale ‘herneming’ van de geschiedenis lijken tijd en ruimte zich telkens op te lossen. Zeker daar waar Jezus verschijnt. Marquardt: Jesus ist als Täter der Tora Israels ein Mensch, an dem Gott seine ganze Zukunftsverheissung erschlossen hat. En waar hij, als Zukunftsmensch, verschijnt raakt de tijd vervuld. ‘Daar en toen’ zijn relatief; het geschiedt in wezen altijd ‘hier en nu’. ‘Heden, indien ge zijn stem hoort...’. In dit verband noemt Marquardt het praesens dat Matteüs in 17:1 gebruikt geen praesens historicum maar een praesens eschatologicum. Het komen van Jezus breekt onze werkelijkheid open en stelt ons in ‘tegenwoordige tijd’, in zijn tegenwoordigheid. Wäre also nicht denkbar, dass die Evangelien uns heute zu unmittelbaren und direkten Zeitgenossen Jesu und seiner Lebensgeschichte machen wollen und darum Jesus zu unserem Gegenwartgenossen?

Waarvan nu is dat wat vandaag in het leesrooster staat de ‘herneming’ en waarheen worden wij door tijd en ruimte heen ontvoerd? De woorden, beelden en verhalen tuimelen over elkaar heen. Jezus voert zijn discipelen opeens mee naar een hoge berg; welke? Zijn we nog in Caesarea Filippi, of staan we met Mozes op de Nebo, of met Elia op de Horeb? De naam van de berg wordt niet vermeld. Als Mozes de berg opklimt in Exodus 24, waar komt dan opeens Jozua vandaan? Van hem was toch geen sprake in dat hoofdstuk? En als Jezus de berg opklimt – evenals in Exodus 24 na zes dagen en met drie met name genoemden–, waar komt dan Mozes opeens vandaan? Of denkt Matteüs juist aan Exodus 34 en het lichtende gelaat van Mozes na de ontvangst van de Tora? Of toch eerder aan Elia op de Horeb, 1 Koningen 19, die daar te horen krijgt dat Gods geschiedenis doorgaat? Of moeten we denken aan al die hoofdstukken in Exodus (en daarbuiten) waar de Wolk verscheen als teken van de presentie van JHWH – Hij die erbij is, die met zijn volk meegaat? Of moeten we inderdaad, net zoals de discipelen, denken aan de betekenis van het Loofhuttenfeest? Of toch Exodus 4 (vers 4) waar de farao te horen kijgt dat de ‘exodus’, de uittocht van Israel doorgaat – ‘zo spreekt de ENE: Israel is mijn eerstgeboren zoon’? (En komt dan ook de ‘herneming’ van de strijd tegen tegen de faraonen door Esther ons niet voor ogen en de ‘exodus’ die heden door Israel met Poerimfeest gevierd wordt?).
Enzovoort... Alles is met alles verbonden; Jezus, de zoon; Israel, de zoon... En ieder woord van de Tora, van Mozes en de profeten, is bepalend voor denken en handelen van Jezus. En andersom.
Op de heilige berg, waar de Wolk is, is steeds maar één ding aan de orde: de redding van Israel en de redding van deze wereld. En Petrus weet later één ding zeker: die redding is in deze Jezus Christus vast en zeker. En net als Matteüs heeft hij daarvoor de ‘oud-testamentische’ taal en beelden. En zo zijn ze ook voor ons Gegenwart.

De woorden van Paulus in 2 Timotheüs 1: 8b-10 (een nevenlezing voor vandaag) laten horen hoe deze Gegenwart ook voor Paulus werkelijkheid en reden tot vreugde is geworden. Hij roept ook Timotheüs op tot ‘herneming’, tot in het delen van het lijden toe.