Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 18: 20-33

Zondag 24 juli 2016 

Abraham en Sodom in de joodse traditie 

door Paul Gabriner (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.)

i. In de joodse traditie wordt Abrahams bijzondere optreden in Genesis 18 nog bewonderenswaardiger gemaakt door een verband te leggen met zijn besnijdenis aan het eind van hoofdstuk 17. Bij het begin van hoofdstuk 18 zou het volgens de grote rabbijn Rashi (1040-1105) slechts drie dagen later zijn, het hoogtepunt van pijn na zo’n ingreep (helemaal gezien zijn hoge leeftijd van 99 jaar!). Volgens sommige rabbijnen wilde God Abraham in alle rust laten herstellen en daarom maakte Hij de middaghitte zo extreem dat er geen reizigers meer langskwamen. Maar Abrahams wens om gastvrij te zijn bleek nog brandender dan zijn pijn, aangezien hij steeds bij de ingang van zijn tent naar reizigers bleef uitkijken. Toen God dat zag, besloot Hij om hem zelf te gaan bezoeken, samen met zijn twee metgezellen. Andere rabbijnen houden het gewoon op een goddelijk voorbeeld van bikkur cholim (ziekenbezoek).

Alles wat Abraham fysiek doet zou dan gezien moeten worden in de context van zijn brandende pijn. Daar moet hij zich dus eerst over heen zetten! Hierdoor zijn de vele werkwoorden die volgen dubbel zo belangrijk. Ondanks zijn pijn rent hij naar ze toe, buigt voor hen tot op de grond, haast zich terug naar Sara, rent naar zijn kudde, haalt een jong kalf, bereidt het voor, zet het zijn gasten neer, staat naast hen terwijl ze eten en loopt daarna nog een poosje met ze mee op als ze weggaan. Vervolgens stapt hij dichterbij God en – zijn eigen sores helemaal vergetend – pleit hij hartgrondig voor Sodom!

Overigens: het idee van sommigen dat alle drie de bezoekers engelen waren klopt niet. God verschijnt niet aan Abraham in vers 1 om vervolgens weer weg te gaan als de drie reizigers komen opduiken in vers 2! Vers 1 is alleen een aankondiging van vers 2, waar Gods verschijning verder gedefinieerd wordt in de vorm van één van de drie reizigers die Abraham plotseling voor zijn tent ziet staan. God is het hele hoofdstuk lang aanwezig, van het eerste tot en met het laatste vers. Om dit duidelijk te maken wordt de Vierletterige Naam tien keer gebruikt, in 18:1, 13, 14, 17, 19 (x2), 20, 22, 26 en 33. Na de maaltijd, in 18:22, gaan alle drie de reizigers weg, maar in 19:1 komen er maar twee van hen in Sodom aan, waar ze voor het eerst als ‘engelen’ (boden) geïdentificeerd worden. Waar blijft de derde? De derde moet God zijn, die bij Abraham blijft staan terwijl de andere twee reizigers doorlopen naar Sodom. Wat gebeurde er? Tijdens het lopen vroeg God zich af of Hij Abraham niet zou vertellen over Zijn plannen voor Sodom : ‘Zal ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?’ (17-19). Wat bedoelt God hiermee? De meest voor de hand liggende interpretatie is dat God al vastbesloten is om Sodom te vernietigen, anders zou Hij weinig reden hebben om het van Abraham te willen verbergen. Hij weet immers ook dat Abrahams neef, Lot met zijn familie in Sodom woont! Wat Hij wel tegen Abraham zegt (die inmiddels weet dat hij met God te maken heeft vanwege diens eerdere profetie over Izaäk) klinkt alsof Zijn vonnis nog niet vast staat: ‘Ik zal nu afdalen en zien of zij werkelijk alles gedaan hebben zoals de roep luidt . . . en zo niet, Ik zal het weten’ (20-21). Moet Hij echt ‘afdalen’, of weet Hij het al? Als het ‘t laatste is, zijn verzen 20-21 het tweede voorbeeld in hoofdstuk 18 van een goddelijk ‘leugentje om bestwil’, vergelijk 18:12-13!

Waarom zou God dit zo zeggen? Volgens de rabbijnen wil Hij Abraham het goede voorbeeld geven van de rechter die de zaak zelf moet uitzoeken en niet tot een doodvonnis besluit op basis van ‘horen zeggen’. Maar Abraham zelf doorziet Gods ware bedoeling! Hij voelt intuïtief aan dat de vernietiging van Sodom in werkelijkheid een voldongen feit is. Hij reageert dus in het geheel niet op wat God zegt in 20-21, maar op wat God dacht in 17-19. Abrahams optreden in de hele passage 18:22-33 wordt door sommigen de ‘moeder van alle gotspes’ genoemd, maar als dat zo is, dan ligt de hoogtepunt daarvan juist hier, in zijn ‘oost-indische’ weigering om Gods voorstel in 20-21 serieus te nemen en in plaats daarvan alleen te reageren op Zijn vermeende gedachtes daarvoor! Hij doet nu een stap naar voren (‘výagash’), een woord dat ook wel gebruikt wordt bij een militaire aanval (zie Richteren 20:23, 2 Samuel 10:13) om dichter bij God te komen (vers 23), net zoals een advocaat dat vaak doet voor hij zijn pleidooi begint bij de rechter. Hij veronderstelt dat God werkelijk van plan is om de schuldigen en de onschuldigen gelijkelijk te straffen. Dit verklaart zijn geschrokken toon: ‘Er kan toch geen sprake van zijn dat U zoiets doet, dat U de rechtvaardigen samen met de goddelozen doodt? . . . Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen?’ (25). Hij eist van God wat God van de mens eist, rechtvaardigheid, niet alleen strengheid, maar ook genade, elk op de juiste plaats. Abraham wil de zekerheid hebben dat zijn nieuwe Verbondspartner geen hypocriet is die alleen rechtvaardigheid predikt voor de mens!

De rabbijnen schrokken ook! Rabbi Eliezer stelt zich voor dat Abraham in werkelijkheid tegen God zei, ‘Heeft U geen eed afgelegd dat u de wereld niet nogmaals zou vernietigen? Ik ben geschrokken dat U misbruik wilt maken van het vertrouwen van de mens door ze nu te straffen met vuur in plaats van een vloed! Hoe kunt U het máken om zo onder Uw eed uit te komen?’ Rabbi Shimon ben Lakish geeft een andere samenvatting van Abrahams woorden: ‘Als U van plan bent de wereld te laten voortbestaan, dan kan er niet alleen plaats zijn voor strenge rechtvaardigheid! Uw wereld kan alleen bestaan als Uw oordeel gebaseerd is op een goede balans tussen strengheid en genade!’ (Rabbah 39).

ii. Abrahams poging om Sodom te sparen is niet alleen gemotiveerd door zijn bezorgdheid voor Lot, die daar woont en familie van hem is, maar ook voor de mensen van Sodom die geen familie van hem zijn! Eerst verzoekt hij om een onderscheid te maken tussen de schuldigen en de onschuldigen (vers 23-25), dat o.a. Lot en zijn familie zou redden, alhoewel hij nergens speciaal voor Lot pleit. Eigenlijk zijn deze verzen een gerichte aanklacht - wellicht de eerste uit de hele geschiedenis - tegen de wijdverbreide praktijk van collectieve straf. Het accent ligt hier op het lot van de onschuldigen. Maar bij zijn tweede en alle volgende verzoeken ligt het accent alleen op het lot van de schuldigen! Als er 50 rechtvaardigen te midden van Sodom zouden wonen, zou de stad dan niet vanwege hun merites (zechut) als geheel vergeven kunnen worden? Het idee dat mogelijke onschuldigen uit de stad geëvacueerd zouden kunnen worden, om haar daarna te vernietigen (wat uiteindelijk gebeurt), komt überhaupt niet in zijn hoofd op. Abraham wil de hele stad redden en om dat doel te bereiken probeert hij het onderste uit de kan te halen. Wat als er maar 45 rechtvaardigen zouden zijn, 40, 30, 20, uiteindelijk 10? Na elke toezegging blijft Abraham steeds weer aandringen om nog meer van God gedaan te krijgen voor de schuldigen! Voor hem bestaat ‘rechtvaardigheid’ voornamelijk uit genade.

Dat Abraham bezorgd is voor Lot is begrijpelijk, maar waarom zet hij zich zo in voor Sodom? Hij wist toch dat Sodom bijna spreekwoordelijk slecht was (13:13). Bovendien, had hij zich al eens eerder dienstig gemaakt voor die stad, na de bevrijding van Lot (14:22-24). Wat beweegt hem nu? Eén antwoord is dat Abraham gekozen was om juist een voorbeeld te zijn van een leven zonder geweld. Hij is tegen alle geweld – de oorlog die hij voert in hoofdstuk 14 om Lot te bevrijden is succesvol zonder enige vermelding van bloedvergieten of slachtoffers (vergelijk Davids slagvelden in II Samuel 8:2 en I Kronieken 20:3). Het ligt dus in de lijn der verwachtingen dat hij ook tegen Gods geweld is!

De rabbijnen verklaren Abrahams optreden in dit verband door de Talmoed te citeren: ‘Laat zondes verdwijnen, niet de zondaars!’ (Berachot 10a) en verwijzen naar Gods woorden in Ezechiel 33:11, ‘Voorwaar, Ik vind geen vreugde in de dood van de goddeloze, maar daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft!’ Abraham hoopt namelijk, dat als er genoeg rechtvaardigen in Sodom te vinden zijn, hun goede voorbeeld de anderen alsnog tot inkeer zou kunnen brengen! Ibn Ezra (1089-1167) wijst op Abrahams taalgebruik: hij zegt niet 50 rechtvaardigen b’Sodom (in Sodom), maar 50 rechtvaardigen betoch Sodom, dwz. in hun midden (vers 24, 26). Het gaat, legt hij uit, niet om rechtvaardigen die opgesloten zitten in hun studeerkamers, maar om hen die zich actief in het midden van de mensen mengen om ze tot andere gedachten te brengen. Zo lang de kans bestaat dat Sodom tot inkeer gebracht kan worden, blijft Abraham pleiten voor genade: ‘De Poorten van Tefilah (Gebed) zijn soms open en soms gesloten, maar de Poorten van Teshuvah (Inkeer) staan altijd open’ (Deut. Rabbah, 2:7).

iii. Hoewel de gastvrijheid scène in 18:1-15 en het pleidooi voor Sodom in 18:16-33 twee aparte episodes zijn, hebben ze ook zeer duidelijke verbanden met elkaar: beide hebben gastvrijheid als thema. In het relatief arme gebied rondom Hebron onthaalt Abraham de drie bezoekers uiterst gastvrij, terwijl bezoekers in het zeer rijke Sodom juist op schokkende wijze ongastvrij werden behandeld. In de joodse traditie wordt Sodom trouwens niet geassocieerd met seksuele perversie, maar met haar wrede weigering om ook maar iets van haar rijkdom met anderen te delen (zie Ezechiël 16:49-50). Seksueel misbruik was alleen een middel om ongewenste gasten af te schrikken. Bovendien zet Abraham zich in beide episodes volledig in voor mensen die hij niet kent. Nu dat hij besneden is en dus anders dan anderen, is het des te belangrijker voor hem om te laten zien dat alle mensen zijn broeders en zusters blijven. Hiermee benadrukt hij op vrij letterlijke wijze de familiemetafoor uit het Adam en Eva-verhaal, waarin de Thora alle mensen voorstelt als één grote familie met dezelfde gemeenschappelijke voorouders. Het begrip ‘vreemdeling’ komt dus niet voor in Abrahams woordenboek: een vreemde is voor hem alleen maar een familielid die hij nog niet ontmoet heeft. Bovendien weet hij dat zijn besnijdenis alleen een ‘zegel’ is, een symbool (net als de doop) voor een bijzondere levenswijze die hij alsnog inhoud moet geven! Zonder die inhoud zou het een symbool zonder betekenis blijven!

Abrahams pleidooi voor Sodom wordt door de joodse traditie niet als een van zijn Tien Beproevingen genoemd, maar een ‘test’ is het wel degelijk. Net als zijn Vertrouwen in God getest zal worden in hoofdstuk 22 bij het offer van Izaäk, wordt hier zijn inzet voor Rechtvaardigheid getest. God heeft die test eigenlijk niet nodig, want Hij weet al wat Abrahams inzet is en wat zijn optreden zal zijn. We gaan even terug naar 18:20-21: God doet het voorkomen alsof Hij nog geen besluit nam over Sodom. Hiermee geeft Hij Abraham de gelegenheid om te ontdekken dat hij de wil en de moed heeft om voor de onschuldigen en voor Sodom zelf te pleiten. God blijft bij Abraham staan bij wijze van uitnodiging op een reactie van Abrahams kant. In een oudere versie van dezelfde tekst blijkt die opzet nog veel duidelijker: ‘maar God bleef nog bij Abraham staan.’ Deze volgorde werd later omgedraaid naar ‘maar Abraham bleef nog bij God staan’, waarschijnlijk omdat de oorspronkelijke tekst beneden Gods waardigheid gevonden werd. Abraham had natuurlijk naar zijn tent terug kunnen gaan op het moment dat de twee andere reizigers doorliepen, maar ook hij bleef staan, juist om op die uitnodiging in te gaan.

Wat God wil, is dat de mens zelf leert om voor rechtvaardigheid op te komen en dat is precies wat Abraham doet! Hij loopt hierbij vooruit (‘loop voor mij uit’, 17:1) op de woorden waarmee zijn nakomelingen later belast zullen worden, ‘Gerechtigheid, gerechtigheid moeten jullie najagen . . .’ (Deut. 16:20). Maar niet minder belangrijk is dat Abraham hier ook een blijvend inzicht krijgt in Gods eigen redelijkheid en rechtvaardigheid. Zijn veronderstelling dat God werkelijk van plan was om de onschuldigen en de schuldigen gelijkelijk te straffen laat zien dat hij Gods ware karakter nog niet kende. Maar God is geen Moloch onder een andere naam! Om dat te leren moest Abraham de gelegenheid krijgen om het verschil te ontdekken! Deze kennis van Gods ware aard zal hij later hard nodig hebben wanneer hem gevraagd wordt om Izaäk te offeren. Daar zal hij alleen gehoor aan kunnen geven wanneer hij de volle overtuiging heeft dat een redelijke en rechtvaardige God zo’n offer nooit door zal laten gaan! Verder leert Abraham in deze tweede episode één van de basisprincipes waarop het Jodendom gebaseerd is, namelijk dat de mens niet alleen een onderdaan van God is, maar ook Zijn partner!

iv. Sommigen zeggen dat Abraham als de ‘verliezer’ uit de bus komt in zijn pleidooi voor Sodom omdat de stad toch vernietigd wordt, maar niets in minder waar. Beide van zijn verzoeken worden door God ingewilligd! Zijn verzoek dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen de onschuldigen en de schuldigen wordt ingewilligd: Lot en zijn familie worden gered. Zijn verzoek dat Sodom gepaard mag worden als er een minimum van rechtvaardigen in haar midden zou wonen, wordt eveneens ingewilligd. De stad wordt namelijk alleen vernietigd omdat er geen minimum te vinden is! Abraham verzocht nooit om Sodom sowieso te sparen, en God wilde ook geen zachte heelmeester zijn. De beroemde midrasj over Saul en Agag had net zo goed over Sodom kunnen gaan: ‘Kindness to the Cruel is Cruelty to the Kind’ (Tanhuma, Parashat Mezora,1.). Tenslotte leert Abraham niet alleen God, maar ook ‘Rechtvaardigheid’ beter kennen: het vereist zeker genade, maar soms ook strengheid zonder genade, elk op zijn eigen plaats.