Joods-Christelijke Dialoog

Joël 03:1-5

Zondag 15 mei 2016 
Zondag 9 juni 2019

Overdenkingen


door Leo Mock

Iets schrijven over een profetische tekst is altijd een hachelijke zaak. Met hun kleurrijke beelden en soms dwingende taal spreken de teksten tot de verbeelding maar zijn moeilijker te concretiseren. Harde biografische en historische informatie ontbreekt meestal, zodat de vraag al snel rijst: wat betekent het dan echt? Waar gaat het over, en kunnen wij ook in de 21e eeuw iets met deze tekst? Dat geldt des te meer voor de kleine profeten zoals Joël die prachtige en afschuwwekkende beelden schildert, zonder een echte, vaste basis. Ik waag toch een poging...

Het probleem begint al met de openingswoorden: ‘Daarna zal het geschieden...’. Waarna? Na de eerdere beschreven sprinkhanenplaag en de daaropvolgende ellende, die in hoofdstuk 2 alweer omgekeerd wordt in een redding voor Israël in materiële zin. Nu volgt de spirituele revival voor het volk. Ibn Ezra brengt inderdaad een rabbi Mozes Hakohen die het visioen op een bepaald historisch moment uit het verleden laat slaan, in de tijd van Jehosafat (9e eeuw) omdat het laatste gedeelte van Joël over de vallei van Jehosafat gaat. Wat die sprinkhanen zijn, schrijft hij niet maar je kan denken aan de dreiging van de Moabieten die met een alliantie tegen Jehosafat optrekken, maar op miraculeuze wijze vluchten (II Kronieken 20). Of een echte sprinkhaanplaag natuurlijk...

De meeste Joodse commentatoren zien echter in de openingszin een verwijzing naar een messiaanse toekomst die zowel een spirituele revival zal brengen als nieuw onheil. Eerst is er de spirituele opwekking. De ‘geest Gods’ omvat volgens Malbim (r. Meïr Lewush, 19e eeuw) verschillende aspecten: lichamelijk: moed en dapperheid, het voorstellingsvermogen van de mens – ware raad en inschatting, intellectuele: wijsheid, inzicht, kennis, en spirituele: profetie. De Heilige Geest is dus onderdeel van de Geest Gods. In deze laatste kan men dus vier verschillende niveau’s zien: de Geest, profetie, dromen, en gezichten. Het uitstorten van de Geest heeft in Israël en de Volkeren een verschillende uitwerking. In de Volkeren betekent het vooral een geest van ‘kennis en verstand’ (de’a wesechel) en van wijsheid, maar ook spiritueel inzicht: God ‘kennen’.

In Israël is de profetische geest, naar haar niveau’s en afhankelijk van de verschillende personen: jongeren en ouderen. Rabbi Meïr Leibush onderscheidt in deze jongelingen en ouderen drie categorieën – de ‘ouderen’ dat zijn de mensen die ver voor de komst van de messiaanse tijd zijn geboren. Zij zullen de profetische geest op het laagste niveau bezitten, als dromen. De jongelingen die weliswaar geboren werden vóór de messiaanse tijd maar wel daar dicht bij chronologisch gezien, die zien ‘gezichten’. Het nieuwe Israël, de jongeren die in de messiaanse periode zelf zijn geboren, die zullen de profetische geest echt bezitten.

Als moderne lezer vraag ik me wel af of de weg naar de Verlossing onlosmakelijk verbonden is met ‘bloed, vuur en rookzuilen’. En of hiërarchie ook in de messiaanse tijd werkelijk op deze manier gehandhaafd blijft, en niet eerder de sociaal-economische werkelijkheid uit de oude wereld weerspiegelt, waarin de ideale samenleving een hiërarchische is. Rasji zegt opmerkelijk genoeg over ‘al het vlees’ dat dit slaat ‘op een ieder wier hart zacht als vlees is’, waarbij hij naar Ezechiël 36:26 verwijst. Dat lijkt me ook een zaak van eigen inspanning en zuivering...