Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 51: 9-11

Zondag 21 april 2019

door Bart Trouwborst

Op Paasmorgen staat deze lezing op het rooster.
Dat is op zichzelf niet verwonderlijk, aangezien deze verzen nauw verbonden zijn met het Joodse Pesachfeest. We houden de woorden stukje bij beetje tegen het licht:

Waak op, ontwaak, bekleed je met kracht, arm van de ENE (9)

Volgens commentator Rashi is dit een gebed van de profeet Jesaja, waarbij in poëtische taal aan God gevraagd wordt om met macht zijn volk te redden, zoals Hij dat vroeger gedaan heeft:

Ontwaak als in de dagen van destijds,
van de geslachten van eeuwen her! (9)

Was jij (arm Gods, red.) het niet die Rahav hebt neergehouwen? (9)

Commentator Redak merkt op dat het ‘neerhouwen’ zich, vanuit de context van de bevrijding uit de slavernij in Egypte, denkbeeldig laat aanvullen met de frase: ‘met de tien plagen’.
Rashi vereenzelvigt ‘Rahav’ met Egypte, verwijzend naar Jesaja 30:7, waar dit Hebreeuwse woordje ‘rahav’ (רהב) eveneens voorkwam en betrekking had op Egypte, met de betekenis: ‘arrogant’.
Je zou het vers dan ook als volgt parafraserend kunnen vertalen:

Was jij het niet die arrogant Egypte hebt neergehouwen? (9)

Ook het ‘zeemonster/de draak’ uit het vervolg van dit vers wordt op Egypte – of precieser: op de Farao - betrokken.
Het slot van vers 9 luidt als volgt:


Was jij (arm Gods, red.) het niet die de draak hebt doorboord? (9)

Het Hebreeuwse woord תנין (te vertalen dus met ‘draak’ of ‘zeemonster’) wordt ook gebezigd in Ezechiël 29:3, als aanduiding voor de Farao:
Farao, de koning van Egypte – de grote draak
neergevlijd midden tussen zijn stromen (Ezechiël 29:3)

Vervolgens horen we in Ezechiël hoe God deze draak met haken uit het water omhoogtrekt en hem op het droge werpt, waar hij aan zijn einde komt.
Dat is een ongelooflijk krachtig beeld. De Farao lag immers vast verankerd in de Nijl, zo het scheen. En de Nijl werd vereerd als godheid. Wat hier dus eigenlijk gezegd wordt, is dat God de Farao lostrekt uit de beschermende greep van zijn god, de Nijl, en hem machteloos op het droge werpt, daar waar de Nijl niet kan komen.

Een stukje toepassing
Het gebed van Jesaja is bijzonder: het verwijst naar Gods grote daden in het verleden, en bidt of deze kracht ook in het heden weer openbaar mag worden. Want de krachten die Gods volk Israël in een houdgreep willen nemen, zijn nog steeds actief.
Dat hoort bij het Joodse Pesach overigens: Gods bevrijdende macht in het heden present stellen en zich daar ook nú door laten bevrijden uit knellende, banden die de mens in een verslavende greep kunnen nemen.
En wanneer we verder denken, aan het kerkelijke Pesach/Paasfeest, en we houden de Joodse wortel hiervan goed in het oog:
Is dit gebed dan ook niet kostbaar om nú te bidden – op de Paasdag?

Evenals Israël verlost werd uit Egypte, en ook: evenals Christus gered werd uit de greep van het graf (de Nijl en de Farao, de zonde, de duivel, de dood, die geen macht meer hebben)
- en tevens denkend aan machten die het leven nog steeds in een verwoestende greep kunnen houden (vul ze maar in) -
mag er dan niet, net als bij Jesaja gebeurt, tegen de klippen op gebeden worden dat Gods bevrijdende macht ook nú zichtbaar mag worden?

Uitleg (vervolg)
Er zit nog meer diepte in de tekst van Jesaja die geproefd mag worden.
Van Gods krachtige arm wordt gezegd dat:

die de diepten van de zee heeft gemaakt
tot een weg voor verlosten om over te steken (10)

Hierbij valt uiteraard in de allereerst plaats te denken aan de doortocht door de Rode Zee van het volk Israël.
Tegelijk kan ook gedacht worden aan de diepte van de dood waar Christus doorheen ging, en die door zijn gang hier doorheen tot een weg werd voor verloste mensen om over te steken naar het leven, de toekomst.
Ook hier kan weer aan gedacht worden bij het lezen of bidden van Jesaja’s gebed.
Dan mag in verbondenheid met Gods volk Israël ook het slotvers gelezen/gebeden worden. Allereerst met het oog op Israël en de onverbrekelijke band tussen dit volk en het beloofde land:
Mogen wie de ENE vrijkocht terugkeren,
met jubel in Sion aankomen,
hun hoofd getooid met eeuwige vreugde. (11)

En tevens mag in deze kostbare gebedsintentie het hoopvolle lot voor de volkeren op aarde beluisterd worden, wanneer Jesaja besluit:
Mogen blijdschap en vreugde hen bereiken, op de vlucht slaan droefheid en gezucht! (11)

Want daar klinkt iets door van de vreugde voor Israël, die zich uitstrekt naar de volkeren, zoals in het vergezicht van Johannes, die zag dat in het nieuw Jeruzalem tranen en de dood niet meer zijn (Opb.21:2-4).

Ds. G.A. Trouwborst, Nieuwleusen

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.