Joods-Christelijke Dialoog

Koningen 2. 17 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

DE ONDERGANG VAN HET NOORDEN (II Koningen 17)
In 722 valt de bijl voor het noordrijk, voor ‘Israël’ dus. We krijgen daarvan een verslag in hoofdstuk 17. De laatste koning is Hosea, tegen wie Salmanassar V optrekt. De reden van zijn komst zal gelegen zijn in het feit dat de Kanaänitische vazallenstaten niet ‘gehoorzaam waren’. Dat betekent vaak dat ze geen of onvoldoende belasting betaalden aan hun ‘beschermer’, vaak in combinatie met een zoektocht naar andere bondgenootschappen om aan de grote koning te ontkomen.
Het beleg om Samaria duurt drie jaar. Van allerlei Assyrische reliëfs weten we dat het weinig zachtzinnig toeging. De Assyriërs zetten de zwaarste middelen in, waaronder stormrammen, om de steden tot overgave te dwingen. Wie heden ten dage Samaria (Shomron / Sebaste) bezoekt, komt onder de indruk van de geweldige vestingwerken die Omri en Achab hebben aangebracht, maar die het niet hebben gehouden tegen Salmanassar. Deze koning heeft de overgave van de stad net niet meer meegemaakt. In 722 is hij gestorven en opgevolgd door Sargon II, die de belegering afrondde volgens Assyrische annalen. De bevolking is gedeporteerd, althans de bovenlaag. Het is een verkeerde voorstelling van zaken te stellen dat de regio leeg achterbleef. De Assyriërs namen diegenen mee van wie ze problemen verwachten konden: de koninklijke familie, de priestertop, de militairen, wapensmeden, enzovoort. De landsbevolking bleef (aantoonbaar) gewoon achter. Dat houdt tevens in dat horden vreemdelingen geen plek in Samaria konden vinden.
In 17:26 blijkt dat de bevolking last had van leeuwen en dat daarom een weggevoerde priester terug moet komen om de ware godsdienst in stand te houden en zich zo tegen de wilde dieren te kunnen beschermen. Daarom heten Samaritanen vaak ‘leeuwenproselieten’, dus ‘gelegenheidsbekeerlingen’.
Wie 17:24-41 leest, kan nauwelijks anders dan concluderen dat het over de religie van een bevolkingsgroep gaat die met de verschillende godsdiensten nauwelijks overweg weet en het beste als syncretistisch heidendom kan worden omschreven. In 17:29 worden zij Samaritanen genoemd en het is verleidelijk hen gelijk te stellen aan de Samaritanen zoals we die uit Nieuwe Testament en uit het heden kennen (er is nog steeds een Samaritaanse gemeenschap binnen de staat Israël). Toch is die gelijkstelling hoogst aanvechtbaar en recent is nog met redenen omkleed voorgesteld om in 17:29 niet Samaritanen maar Samarianen te vertalen. De tekst is wel in joodse en christelijke exegese als een wapen tegen de Samaritanen gebruikt.
De Samaritanen zelf zien zich als de ware voortzetting van Israël. Ze zijn sterk monotheïstisch (een beeld dat je uit II Koningen 17 niet direct krijgt) en houden zich stipt aan de Tora. Het feit dat op de berg Gerizzim bij Sichem een heiligdom heeft gestaan dat concurreerde met de na de ballingschap herbouwde tempel in Jeruzalem en die rondom 110 v. Chr. door de joodse koning Johannes Hyrcanus is verwoest, zal hebben bijgedragen aan de tegenstelling tussen joden en Samaritanen en die tegenstelling bepaalt het beeld in II Koningen 17.

De ondergang van het noordrijk en Samaria, terwijl de ondergang van Jeruzalem (nog) uitblijft, is te wijten aan een aantal factoren:
• De geografie bepaalt voor een belangrijk deel de geschiedenis van een land en volk. Samaria ligt open, het is glooiend landschap. Bovendien lopen de grote wegen noord-zuid erdoorheen. Wegen die Azië, Europa en Afrika verbinden. In dat opzicht is de Kanaänitische kuststrook een hoogst onaantrekkelijke plek om te wonen. Je krijgt vaak ‘bezoek’ van vreemde legers, waarvan de soldaten hun soldij dikwijls uit plunderingen moesten hebben.
• De koningen van Israël maakten een verkeerde politieke schatting: ze probeerden met allianties vergeefs een muur te bouwen tegen de groeiende Assyrische overmacht. Ook de broederstrijd die ze voerden om Achaz, de koning van Jeruzalem te dwingen mee te doen, in een alliantie tegen Assyrië (de zg. Syro-Efraïmitische oorlog, d.w.z. Syrië en Israël tegen Juda) pakte verkeerd uit. Achaz, die zijn belasting wel betaalde, deed een beroep op het (gedwongen) bondgenootschap dat hij had met Assyrië. Dat dwong Damascus op de knieën. Samaria kwam er nog net genadig vanaf.
• Ten opzichte van Israël was Juda een veel minder belangrijke provincie. Er liepen geen grote wegen doorheen, het lag strategisch veel minder aantrekkelijk, was economisch minder van belang. Je kun Juda letterlijk en figuurlijk passeren.

De bijbelschrijver wil van deze feitelijke motieven niet weten. Voor hem is het van belang dat de koningen van Israël altaren voor andere goden hebben gebouwd, masseben (gewijde stenen) en Asjera’s hebben opgericht, kortom: andere goden hebben gediend. Voor de auteur van de bijbel, die er een ‘eigen schuld, dikke bult-theologie’ hanteert, is het duidelijk: de ondergang is een straf op de zonde.