Joods-Christelijke Dialoog

Koningen 2. 01-02 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

ELIA’S AFSCHEID EN ELISA’S AANTREDEN (II Koningen 1-2)
‘Moab viel na Achabs dood van Israël af.’ Met die weinig opwekkende mededeling begint het tweede boek Koningen. Omri, de vader van Achab, had Moab bij zijn rijk gevoegd. Dankzij de zogenaamde ‘Steen van Mesa’ hebben we daarvan een getuigenis en daarop lezen we ook dat onder de zoon van Omri die heerschappij weer tot een eind komt. De steen van koning Mesa staat in het Louvre en een kopie in het het Archeologisch Museum van Amman.
Koning Achazja is de weinig krachtige figuur die Moab verspeelt. Zijn opvolger Joram doet nog wel zijn best om de schade te herstellen (3:3-5) maar trekt na een gruwelijk kinderoffer op de stadsmuur terug (3:26-27).

Achazja wordt meteen als een sukkel neergezet: hij valt door het tralievenster van het balkon. Het is een koning die niet eens in de box kan blijven staan. Zijn kwaal loopt lelijk af en daarom vraagt hij Baäl-Zebub (‘Vliegenbaäl, de locale god van het Filistijnse Ekron) of hij zal herstellen. Elia grijpt Achazja’s optreden aan om hem de godsdienstige oren te wassen:
‘De engel van de Heer sprak tot de Tisbiet Elia:
Sta op, ga de boden van de koning van Samaria tegemoet en spreek tot hen:
Is er dan geen God in Israël dat jullie Baäl-Zebub, de god van Ekron, gaan raadplegen?’ (1:3).
De boden van Achazja aan wie de boodschap wordt gedaan, beschrijven aan hun heer het uiterlijk van de profeet. Hij kan alleen maar kreunen: ‘Dat is de Tisbiet Elia.’
Elia moet worden opgespoord. Opeens is Achazja ‘krachtig’ en stuurt een compagnie van vijftig soldaten op pad waarvan de overste tegen de op een berg gezeten profeet blaft”
‘Godsman, de koning zegt: kom naar beneden!’
‘Godsman’: de Hebreeuwse tekst heeft daarvoor ’iesj ha’elohiem, maar de profeet doet net of hij ’eesj ha’elohiem verstaat, ‘vuur van god’ en zo daalt het vuur neer om de overste en zijn compagnie te vernietigen. Pas bij de derde keer – Achazja waagt er probleemloos een tweede en derde compagnie aan – komt een overste op het idee om te bedenken dat de God van Israël zich niet door de koning laat dirigeren. Hij schreeuwt niet dat de godsman moet afdalen maar hij klimt zelf omhoog en knielt. ‘Laat mijn leven kostbaar zijn in uw ogen’ smeekt hij. Dat is nu precies wat de God van Israël zelf wil, als althans je leven ook kostbaar in je eigen ogen is. Hij daalt met hem af en bevestigt het einde van Achazja’s leven.

De afval van Moab en daarmee het verval van het noordisraëlitische koningschap omlijst het afscheid van Elia en het aantreden van Elisa. We maakten al kennis met Elia’s opvolger na het gebeuren op de berg Horeb in I Koningen 19, waar Elia hem zijn profetenmantel toewerpt (19:19), maar nu krijgt hij die mantel in zekere zin door God zelf toegeworpen.
Het is een wonderlijk verhaal: het lijkt of Elia Elisa van zich wil afschudden. Hij loopt een traject met hem van Gilgal via Betel naar Jericho, en dan de Jordaan over, of beter: de Jordaan door. In Betel en Jericho komen profetengroepen Elisa waarschuwen dat het de dag van het afscheid van Elia is. Die profeten zijn extatische figuren, die vaak in groepen optreden onder leiding van een ‘vader’. We vinden hen ook in de geschiedenis van Saul (I Sam. 10:11 en 19:19-24). Maar van hun hulp is Elisa niet gediend. Hij heeft problemen genoeg aan zijn hoofd nu zijn profetenvader afscheid neemt.
Bij de Jordaan blijft een groep van vijftig profeten achter, terwijl Israël Elia hardnekkig volgt. Met zijn mantel splijt hij het water en ze komen op de plek waar ooit Mozes afscheid nam van het volk.
Die suggestie is precies de bedoeling van de tekst. Want de verhouding Elia-Elisa is als de verhouding Mozes-Jozua. Elia gaat net als Mozes naar de Horeb, eet daar net als Mozes veertig dagen en nachten niet, zagen we bij de bespreking van dat hoofdstuk. Mozes neemt afscheid aan de oostkant van de Jordaan en daarna trekt Jozua met het volk door een pad in het water naar Jericho-Betel-Gilgal. De dood van Mozes moet dus iets te maken hebben met de dood van Elia! Dat blijkt te kloppen. Eerst moet het charisma van de profeet geregeld worden: die geestesgave kenmerkt immers de profeet van God. Elisa vraagt aan Elia een dubbel deel (2:9). Het lijkt of hij twee maal zoveel charisma wenst als zijn roemrijke profetenvader. Dat is niet het geval. Het dubbele deel geldt als erkenning van de oudste zoon (Deut: 21:17), en als profetenzoon vraagt Elisa aan zijn vader hem als oudste te erkennen. Dat is voor Elia moelijk, omdat niet hij maar God zelf zijn opvolger kiest. Elisa moet dus wachten tot God hem die erkenning biedt.
Dan wordt Elia ten hemel opgenomen – God zelf komt hem halen: vurige wagen, vurige paarden – en zo wordt Elia onbereikbaar. Een ramp, zo’n ‘godenstorm’ (vgl. 2:1), tenzij de opvolging is geregeld. Hoe? Door de mantel uiteraard. Daarmee had Elia Elisa geroepen en daarmee roept ook God hem. Elisa scheurt zijn eigen mantel in twee stukken, een teken van rouw maar ook een teken dat hij die mantel niet meer nodig heeft. Want de profetenjas van Elia is achtergebleven en als een ware Jozua splijt hij, met de mantel, het water van de Jordaan en treedt het land op een nieuwe manier binnen.
Het afscheid van Elia moet te maken hebben met het afscheid van Mozes. Als Elisa terugkeert, komt de profetenhorde hem tegemoet en buigt voor hem. Dat is de erkenning van het feit dat Elisa voortaan hun profetenvader is. Ze hebben alles op afstand gezien en gaan tevergeefs op zoek naar het lichaam van Elia. De Heer zelf Mozes begraaft in het dal bij Bet-Peor en de Israëlieten zijn graf niet kennen (Deut. 34:6).
Elia is de grootste van alle niet-schriftprofeten. Dat blijkt ook uit zijn afscheid. Hij is de voorbode van de ‘Dag des Heren’, de oordeelsdag. Daarom wordt Johannes de Doper als Elia herkend (Matt. 11:14).