Joods-Christelijke Dialoog

Koningen 1. 16: 21-18: 19 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

ELIA EN ACHAB (I Koningen 16:21-18:19)
In het vorige hoofdstuk is gesteld dat van de koningen van het noordelijke rijk Israël niet één koning voldoet aan de religieuze maatstaven van de bijbelse auteur. Die maat is gesteld door Jerobeam I, de koning met wie de noordelijken zich van Juda afscheidden (I Kon. 12). Eén koning valt bijzonder uit de toon: Achab. Zijn vader Omri was generaal en bij een coup koning geworden (16:16) en stichter van een dynastie, in de literatuur aangeduid als ‘de Omriden.’ Hij moet een gezaghebbende koning zijn geweest. Hij is de eerste bijbelse koning die in buitenbijbelse (Assyrische) annalen is vermeld, als Israël het ‘Huis van Omri’ wordt genoemd. Hij is dus het buitenlandse gezicht van Israël. Ter oriëntatie: Omri regeert rondom 875 v. Chr. Zijn opvallendste activiteit is de bouw van een nieuwe residentie, namelijk Samaria.
Voor alle politieke grootheid van Omri heeft de bijbelse auteur geen belangstelling. Hij wordt vooral neergezet als vader van Achab, die er politiek gezien ook mocht zijn (hij wordt in Assyrische annalen vermeld als iemand die met 10.000 soldaten en 2000 strijdwagens in een alliantie tegen Assyrië meedoet, dat wil zeggen: hij levert de helft van alle strijdwagens!), maar religieus slaat hij de plank volkomen mis. Hij overtreft de maat van Jerobeam:
‘Het minst erge was nog dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat. Hij nam Izebel, de dochter van Etbaäl, de koning van de Sidoniërs, tot vrouw en ging de baäl dienen en zich voor hem neerbuigen’(16:31).
Achab wordt verantwoordelijk gehouden voor het totale godsdienstige afglijden van het noorden. Daarin speelt zijn vrouw Izebel de hoofdrol. Zij is de dochter van de Foenicische koning Etbaäl uit Tyrus. Zijn godsdienstpolitiek zal wel liberaal en dus ‘multicultureel’ zijn geweest: naast de godsdienst van Israël maakte hij ruimte voor de vegetatiegodsdienst van Baäl (waarbij je je moet afvragen hoe specifiek, hoe ‘zuiver’ de godsdienst van Israël in de 9e eeuw was!). Daarom staat er in Samaria ook een baältempel met daarbij een Asjera, ‘een gewijde paal’. Maar het historische traject is nauwelijks te achterhalen. Het gaat er hier om hoe de auteur Achab en Izebel ziet. En dat is helder: hij ziet hen als de personificatie van het kwaad. Daarom wordt hij beschreven tegenover zijn grote tegenspeler Elia. De Achab-cyclus is eigenlijk de Elia-cyclus. Elia vertegenwoordigt de Heer, de God van Israël en Achab representeert Baäl. Het gaat daarin om niet minder dan een godenstrijd, waarin bewezen moet worden welke god werkelijk wat voorstelt.
Als Achab tot het brengen van twee bouwoffers overgaat (16:34), doet de Heer de eerste zet en tast Baäl in zijn potentie aan:
‘Toen zei de Tisbiet Elia uit Tisbe in Gilead tegen Achab:
Zo waar de Heer, de God van Israël, leeft, bij wie ik in dienst ben,
het idee dat er deze jaren geen dauw of regen zou zijn anders dan op mijn woord...’ (17:2).
De regen is het sperma van de vegetatiegod, die daarmee moeder aarde bevrucht. Je kunt een vergelijk maken met de plagen in Egypte die ook beogen de Egyptische goden in hun wezen te raken.
Midden in het desolate land wordt Elia naar de beek Kerit gestuurd in het overjordaanse. Niemand weet waar die wadi zou moeten liggen. Dat doet er ook niet toe: het gaat erom dat de Heer in de droogte zijn dienstknecht eten en drinken brengt. Vogels die doorgaans stelen als de raven komen nu voedsel brengen!

Als ook de beek Kerit uitdroogt krijgt de profeet Elia opdracht om naar Sidon te gaan. Waarom Sidon? Welnu, dat ligt met Tyrus in het kernland van Fenicië, waar Izebel vandaan komt en de met haar verbonden Baälreligie welig tiert. Zijn levensonderhoud daar lijkt even absurd als de foeragerende raven bij de beek Kerit:
‘Ik heb daar een weduwvrouw geboden om je te onderhouden’ (17:9).
Direct bij de stadspoort is daar een hout sprokkelende weduwe, aan wie hij water vraagt. Het lijkt op een test – water is immers een kostbare vloeistof geworden – maar het gaat om meer. Ook Eliëzer, de knecht van Abraham, maakt kennis met Rebekka door water te vragen ( 24:17). Zoals Jezus dat doet bij de Samaritaanse vrouw (Joh. 4:7). Steeds is het ‘vragen om water’ een manier om een gesprek aan te knopen. Maar de weduwe en de wees, soms aangevuld met de vreemdeling en de leviet, zijn de zwaksten in de samenleving zoals het boek Deuteronomium die schetst:
‘Dan zal de leviet komen, – die heeft immers geen bezit of erfdeel bij je – en de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten wonen: ze eten en verzadigen zich - opdat de Heer, je God, je zegenen kan in al het werk dat je hand doet.’ (Deut. 14:29):
Hier wordt gevraagd de wet in omgekeerde vorm toe te passen: de weduwe moet de profeet verzadigen. Dat lijkt een onmogelijke mogelijkheid tenzij de God van Israël in het thuisland van Baäl, die nu van zijn potentie beroofd is, brood geeft. Het meel in de pot raakt niet op, net zomin als de olie in de kruik: er is voor elke dag een nieuw rantsoen, net als bij het manna in de woestijn. Voor die ene vrouw, haar zoon en haar profetische kostganger wel te verstaan.
Als de zoon van de vrouw dodelijk ziek wordt en ‘geen adem meer in hem overblijft’, maakt de Heer waar wat Baäl pretendeert te kunnen: ondergaan en verrijzen uit de dood.