Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 2. 13-18 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

VADER EN ZOON (II Samuël 13-18)
Na de affaire met Batseba en Uria begint de ellende in het huis van David met Amnon en Tamar. Amnon is een zoon van een van Davids eerste vrouwen, Achinoam (3:2). Tamar is een volle zus van Absalom en dochter van Maäka (3:3). Amnon verkracht haar. Tamar draagt eenzelfde mantel als Jozef (13:18-19), als teken van haar koninklijke staat, die ze na de verkrachting verscheurt. Absalom hoort ervan en lijkt de zaak te sussen, maar in werkelijkheid haat hij zijn halfbroer en smeedt hij een plan hem te vermoorden (zie 13:32), ook al omdat David het bij een uitbrander houdt.
De moord gebeurt in 13:23-39 (29), op een laffe manier, nadat hij Amnon eerst dronken heeft gevoerd. Absalom verdwijnt nu drie jaar van het toneel. Hij is in ballingschap in Gesur en na lang aandringen van Joab mag hij weer terugkomen, zij het dat zijn vader hem niet wil zien. Ook de moord op Amnon wordt door David niet gewroken. Hij laat het erbij zitten.
Als Absalom merkt dat David niet ingrijpt naar aanleiding van de moord op zijn broer, profileert hij zich weer. Hij is een knappe man en draagt lang haar. Slechts een maal per jaar gaat hij naar de kapper en dan komt er meer dan twee kilo haar vanaf! Haar is vaak numineus in de bijbel. Er gaat een zekere kracht vanuit. Een nazireeër, iemand die een bepaalde religieuze opdracht uitvoert, scheert het haar gedurende die periode niet af. Denk aan Simson! En wat onbekender: Handelingen 21:23-24.
Absalom heeft bovendien zijn mannetjes die intimideren. Als hij niet wordt geremd, schaft hij een wagen aan en paarden en laat vijftig man voor zich uit lopen (vgl. 41:43). Hij ‘netwerkt’ en ondermijnt gaandeweg het gezag van zijn vader. Na vier jaar krijgt hij toestemming naar Hebron te gaan, de stad waar David allereerst tot koning werd gezalfd (2:4, Juda; 5:3, heel Israël). De lezer vraagt zich onophoudelijk af waarom David niet merkt wat er aan de hand is. De bedoelingen zijn immers allang duidelijk: ‘Absalom is koning in Hebron!’ wordt straks gehoord (15:10).
David moet uitwijken, naar de woestijn. Zoals hij ooit moest vluchten voor zijn schoonvader Saul, vlucht hij nu voor Absalom. De getrouwen gaan met hem mee, waaronder de zeshonderd mannen die in de woestijn zijn keurkorps vormden.
Het verhaal heeft een spiegelvertelling in het Nieuwe Testament: als Jezus Jeruzalem binnenkomt, gaat hij via de weg waar David Jeruzalem verlaat: de Olijfberg (15:30). Beiden wenen en beiden krijgen een ezel aangeboden om op te rijden (16:2). De ezel is in het Oude Testament immers niet het slome dier uit het ponypark maar een koninklijk rijdier. De zonen van David rijden op muildieren (13:29); de kleine richters hebben koninklijke neigingen en laten daarom hun kinderen op ezels en muildieren rijden (Ri. 10:4; Ri. 12:14).
Hier gaat de koning, de váder. En de zoon komt.
Het verhaal van David en Absalom is een verhaal over vader en zoon. En hoe het mis kan gaan in die verhouding. In dat opzicht is het verhaal een toppunt van verscheurdheid in het huis van David. David is voor alles vader. Als Absalom hem naar het leven staat, geeft hij zijn generaal Joab toch nog opdracht om de jongen met fluwelen handschoenen aan te pakken (18:5).
Als Absalom met zijn hoofd tussen de takken van een laaggroeiende eik blijft hangen en door Joab wordt doodgestoken, treurt David zo lang en zo luid, dat het volk de overwinning niet eens durft te vieren (18:33-19:3; Hebreeuws: 19:1-4):
‘Toen ontroerde de koning zeer. Hij ging naar boven, naar de bovenzaal bij de poort en weende. En heen en weer lopend zei hij steeds: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, was ik maar voor jou gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!’ (18:33; 19:1 Hebreeuws)
Absalom is voor alles zoon, een zoon die niet kan wachten om zijn vader op te volgen. Absalom is ook wel vader: in 14:27 lezen we dat hij drie zoons heeft en een beeldschone dochter, die net als zijn mooie zuster Tamar heet. Maar als Absalom dood is, lezen we in 18:18:
‘Absalom had bij zijn leven de steenzuil die in het Koningsdal staat, genomen en die voor zichzelf opgericht, want dacht hij: Ik heb geen zoon om de gedachtenis aan mijn naam te bewaren.Hij had die steenzuil naar zijn eigen naam genoemd; daarom heet die tot op de dag van vandaag: gedenkteken van Absalom.’
Dat is vreemd als je niet ziet dat het om de relatie vader-zoon gaat. Absalom is zoon gebleven, tot zijn dood. Opstandige zoon. Vader in de zin van David is hij niet geworden, die zijn zoon de veelzeggende naam gaf: ‘de vader is vrede.’ Absaloms koningschap loopt dood, zoals het type koningschap van Saul doodloopt.

Na de opstand van Absalom zal Seba uit Benjamin nog een vergeefse poging wagen om David van de troon te stoten. En in I Koningen 1:5v. zal Adonia op het laatste moment nog proberen zijn slag te slaan. David heeft de broeders van Israël verbonden. Maar de prijs die hij betaald heeft is de broederstrijd in zijn eigen huis.

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.