Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 2. 06

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

NAAR JERUZALEM (II Samuël 6)
Nu David koning is over heel Israël, moet er ook een koningstad, een residentie voor heel Israël zijn: Jeruzalem. Dat is ‘de stad van David’, die bij geen enkele stam hoort maar veroverd moet worden op de Kanaänitische bevolking. De Jebusieten achten hun stad onneembaar en roepen dat blinden en lammen David zullen tegenhouden (5:6). David verovert de stad vrij gladjes (de suggestie is via de watergang of het riool). ‘Aan die blinden en lammen heeft David een hekel’ is de reactie, maar het gezegde dat aan die uitspraak wordt verbonden, luidt anders, letterlijk:
‘Een blinde of een lamme komt het huis niet in.’ (5:8)
Het huis (habbajit) slaat op de tempel, waar volgens levitisch voorschrift geen gehandicapte priesters dienst mogen doen (Lev. 21:16-24). Matteüs herinnert aan deze tekst waar hij de intocht in Jeruzalem vertelt. Als de tempel is gereinigd van de wisselaars en andere handelaars, komen blinden en lammen tot Jezus in de tempel. ‘En hij genas’ hen, sluit de evangelist af (Matt. 21:14).

Na een intermezzo waarin nog verteld wordt dat David met de Filistijnen afrekent (ze worden pas in 21:15-22 voor het laatst genoemd als potentiële vijanden; met andere woorden David blijft levenslang last van hen houden), moet de ark van God naar Jeruzalem worden overgebracht. Jeruzalem is immers zoiets als de ommuring van de tempel die op haar beurt een ommuring is van de ark. Die ark is achtergebleven in het huis van Abinadab (I Sam. 7:1) en wordt nu door David met veel feestgedruis naar Jeruzalem overgebracht.
Maar liefst dertigduizend man aan keurtroepen begeleiden de ark. Die wordt – tegen de regels – op een wagen gezet. De ark moet gedragen worden:
‘Hij maakte draagstokken van sittimhout en overtrok die met goud,
hij stak de draagstokken in de ringen aan weerskanten van de ark om de ark te dragen’ (Ex. 37:3-4).
David maakt er een complete optocht van tot meerdere eer en glorie van zichzelf. Het gaat om ‘de ark van de Heer van de legerscharen die op de cherubs troont’(6:2), met andere woorden: om de draagstoel van de grote generaal van Israëls leger. Israël mag die volgen. Maar nu mag die God in de parade van David meelopen.
Bij de dorsvloer van Nakon gaat het fout. Een dorsvloer is doorgaans meer dan een aarden hoogte waarop graan wordt gedorst. Het is dikwijls een cultische plek, waarop offers worden gebracht en waar de koning zetelt. Ook de tempel van Jeruzalem wordt straks op een dorsvloer, die van Arauna, gebouwd. Josafat en Achab vinden we op een dorsvloer terug (I Kon. 22:10) in staatsiekleding. Het lijkt erop dat de ark bij de dorsvloer van Nakon de goden van het land ontmoet en hij komt in beweging. De runderen willen niet (waar ze in I Sam. 6 precies doen wat de God van die ark wil!) en de ark begint te schuiven. Uzza laat het leven als hij probeert de glijdende ark voor een val te behoeden.
Opeens is het afgelopen met de parade, de optocht staat stil alsof er een wiel van de Gouden Koets is losgeraakt. De ark wordt bij een niet-Israëliet ondergebracht, de Gatiet Obed-Edom (de risico’s worden buiten de deur gehouden). Maar de Heer zegent het huis van Obed-Edom en na drie maanden durft David het weer aan. Hij haalt de ark uit het huis. Nu wordt de troon gedragen (6:13) en loopt de Heer niet mee in de optocht van David maar omgekeerd: de koning draagt een priesterlijke linnen lijfrok en danst voor het aangezicht van de Heer (6:14).
Mikal, Sauls dochter, (in 3:14-16 heeft hij haar weer laten ophalen), kijkt uit het raam en ziet de koning dansen en huppelen en veracht hem in haar hart (7:16). Nota bene: Mikal wordt niet gekwalificeerd als de vrouw van David maar als de dochter van Saul. Mikal hoort bij een type koningschap dat wordt vertegenwoordigd in de eerste parade. Daarvan heeft ze niet geleerd.
Als David thuiskomt om zijn gezin te zegenen (6:20) zoals hij ook het volk gezegend heeft, (6:18; de gedachte dat David zijn gezin ‘begroet’ zoals in allerlei nieuwe vertalingen te vinden is, kleedt het verhaal meer uit dan de koning zichzelf!) krijgt hij van Mikal de wind van voren: al die vrouwen van Israël hebben de koning onder de korte rok kunnen kijken… Om je dood te schamen. Zo help je de monarchie om zeep.
Davids antwoord is onthullend: de ware koning in Israël is de sjofele koning en precies dat woord sjofel gebruikt David als hij aan Mikal uitlegt wat koningschap in Israël voorstelt: daar zijn de minsten de meesten (Waar hebben we dat meer gehoord?).
‘Ik zal mij nog nederiger gedragen dan hier, ik zal gering (Hebreeuws: sjafál, ‘sjofel’) zijn in eigen ogen en met de dienstmeiden over wie jij praat, bij die zal ik belangrijk zijn (‘eer verwerven’)’ (6:22).
Het koningschap van het type Saul-Mikal heeft geen toekomst in Israël: Mikal bleef kinderloos tot de dag van haar dood (6:23).

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.