Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 2. 01-05 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

DAVID KONING OVER HEEL ISRAËL (II Samuël 1-5)
De dood van Saul vormt het einde van het eerste en het begin van het tweede boek Samuël. Want het is niet zoiets als ‘de koning is dood, leve de koning!’ David is diep geschokt over de dood van Saul, met wie hij vooral via Jonatan zo intens verbonden was. Als een Amalekiet bij hem komt en denkt goede sier bij de koning te maken door te vertellen dat Saul is omgekomen en dat hijzelf op Sauls verzoek hem de genadestoot heeft gegeven, kost hem dat onmiddellijk de kop. Voor het laatst komt het oude thema terug: je slaat niet de hand aan de gezalfde van de Heer. Dat had Sauls wapendrager zelfs niet gedaan op verzoek. Dat het een Amalekiet is die snoeft de gezalfde te hebben gedood, moet een waarschuwing zijn voor David: Amalek is er altijd.

Ontroerend is het klaaglied, ‘Het lied van de boog’, dat David over Saul en Jonatan zingt. Deze psalm staat in een ons onbekend gebleven boek – Het Boek van de Oprechte – waarnaar je verder alleen maar raden kunt. David zingt dat de dood van Saul vooral niet moet doordringen tot in de steden van de Filistijnen, omdat anders aan de andere kant van het toneel de Filistijnse meisjes een loflied zingen op de dood van Israëls koning.
Gilboa wordt in zekere zin vervloekt:
‘Bergen van Gilboa, laat geen dauw of regen op jullie zijn of op jullie hoogvlaktes. Want daar ligt weggesmeten het schild van helden, het schild van Saul, niet met olie gezalfd.’ (1:21).
Tot in zijn dood blijft Saul de gezalfde van de Heer.
Na het klaaglied keren we terug tot de realiteit van de dagelijkse politiek. Er moet geen machtsvacuüm vallen en David trekt meteen op naar Juda om zijn positie veilig te stellen. Hij gaat naar Hebron. Daar wordt hij tot koning gezalfd (2:4) en vandaar opereert hij. Eerst stelt hij zijn belangen aan de overkant van de Jordaan veilig: Jabes heeft een liefdedienst aan Saul bewezen, de Heer zal aan Jabes chèsed we’emèt, ‘liefde en trouw’, solidariteit bewijzen. En David zal zijn steentje daaraan bijdragen. Tussen neus en lippen door vermeldt hij dat hij tot koning is gezalfd: de Jabesieten kunnen zó overstappen (2:7). Dat is des te belangrijker omdat in het vervolg Gilead – waar Jabes ligt – onder de regering van het huis van Saul blijft (2:9). David heeft in Jabes dus een bruggenhoofd.
De opvolging van Saul gaat dus niet vlekkeloos (net zomin als die van David en Salomo straks probleemloos zal zijn). Abner, de generaal van Saul, heeft de veldslag bij Gilboa kennelijk overleefd en zet Isboset, Sauls zoon in als stroman: twee jaar is Isboset koning ‘over Gilead, de Asurieten, Jizreël, Efraïm, Benjamin: over heel Israël’ (2:9).
We hebben hier dus een situatie die in I Koningen 12 opnieuw ontstaat, als de broeder van het noorden weglopen bij het huis van David. Davids grote verdienste is dat hij de broeders van noord, zuid en het transjordaanse gebied juist heeft verbonden in een unie onder één koningshuis.
Er volgt een bloedige broederstrijd, waarin Abner de hoofdrol speelt. Het huis Benjamin staat als één man achter hem, al wordt David gaandeweg sterker en het huis van Saul gaandeweg zwakker (3:1).
Davids zonen worden in Hebron geboren: zes in getal.
Abner heeft nu zelf koninklijke neigingen: hij komt tot Rispa, een bijvrouw van Saul en dat is niet minder dan een greep naar de macht. Absalom komt tot de bijvrouwen van zijn vader op het dak van het paleis, om iedereen te laten zien wie de nieuwe koning is (16:22) en als Adonia via Batseba aan Salomo om Abisag vraagt, de laatste bijvrouw van zijn vader David (I Kon. 2:21-22), is de reactie van Salomo dat hij dan beter direct om het koningschap kan vragen.
Abner wordt door Joab, Davids generaal omgebracht, een moord waarvan David zijn handen aftrekt. Hij zingt zelfs een klaaglied over Abner. En als ene Rekab en Baäna denken de koning te plezieren door Isboset, de zoon van Saul te vermoorden, wacht hun hetzelfde lot als de Amalekiet die snoefde Saul te hebben gedood. Duidelijk moet worden: David is koning, niet door zijn voorganger en diens huis te elimineren, maar omdat hij koning is bij de gratie Gods en door de mensen wordt gedragen. Daarom komen uiteindelijk alle stammen van Israël bij David in Hebron en zeggen: ‘Zie wij zijn uw eigen vlees en bloed’ (vgl. Ri. 9:2):
‘Toen kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron.
En koning David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van de Heer.
Daarop zalfden zij David tot koning over Israël’ (5:3).