Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 1. 18-20 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

VERBONDENHEID OP LEVEN EN DOOD (I Samuel 18-20)
Voordat de haat van Saul tegenover David de pan uitrijst, wordt eerst verteld dat Jonatan – de gedoodverfde troonopvolger –
liefde voor David opvat en met David een verbond sluit, vriendschap op leven en dood:
‘... de ziel van Jonatan raakte verknocht aan die van David. Jonatan had hem lief als zichzelf. Saul nam hem die dag met zich mee en stond hem niet toe naar zijn vaders huis terug te keren. Jonatan sloot een verbond met David, omdat hij hem liefhad als zijn eigen ziel (18:1-3).
Hij trekt zelfs zijn mantel uit. We zagen bij hoofdstuk 15 al dat die mantel nu juist het bewijs is van zijn koningschap. Ook zijn wapenrok, zwaard, boog en gordel geeft hij door. Jonatan reikt daarmee het koningschap aan.
David wordt getekend als de populaire held, die zijn tienduizenden verslaat tegenover Saul die niet verder komt dan duizenden (18:7). Daarmee wordt Saul niet afgeserveerd, maar wordt wel gezegd bij wie het verslaan van de Filistijnen – dé taak van de koning – in de beste handen is. Dat brengt Saul tot jaloezie en die afgunst brengt hem tot een wanhoopsdaad: als David een keer op zijn citer tokkelt om de gedeprimeerde koning tot rust te brengen, krijgt hij twee maal achtereen een speer naar zich toe geslingerd. Saul mist, maar de toon is gezet. Bovendien vat Saul het missen op als een aanwijzing dat de Heer met David is (een beetje militair mist niet van die afstand). David krijgt steeds meer profiel als nieuwe, maar nog onbekende gezalfde: ‘Heel Israël en Juda kregen David lief,’ lezen we in 18:16. Dat is van belang: het volk Israël bestaat immers uit stammen die als los zand aan elkaar hangen en waarin noord en zuid om allerlei redenen sterk uiteen gaan. David wordt hier al neergezet als de koning van ‘heel Israël’. Dat is ook zijn grote verdienste!
Saul wil intussen van David af en brengt daarmee wel de toekomst van Israël in gevaar, maar dat ziet hij niet.
Eerst belooft hij hem Merab, zijn oudste dochter, tot vrouw te geven, maar dat gaat niet door als Mikal, zijn tweede dochter, David lief krijgt. Hij heeft nu een chantagemiddel in handen en geeft hem een nieuwe testopdracht bij de Filistijnen: hij moet terugkomen met honderd voorhuiden (18:25) van de Filistijnen en dat is de bruidsprijs die hij betalen moet. De onbesnedenen moet besneden worden… De bedoeling is dat David sneuvelt, maar de Heer is met hem en hij komt met tweehonderd voorhuiden terug (18:27). Dat levert hem Mikal als bruid op maar ook een groeiende haat van Saul.

Dat thema wordt steeds breder uitgewerkt: David heeft op het terrein waar de koning zich bewijzen kan – de Filistijnen – bepaald meer succes dan Saul of wie ook (19:8). Wéér wordt verteld dat David de speer van Saul ontwijken moet (19:9). De haat van Saul groeit, waar de liefde van Jonatan en Mikal ook toeneemt. De kinderen van Saul hem houden zijn aarsvijand uit de handen. Prachtig is hoe een terafiem, hier een orakelmasker, een rol in zo’n bevrijdingsverhaal speelt (vgl. 31:34). Als David wordt bedreigd door Saul maar is ontsnapt en volgens zijn vrouw ziek op bed ligt, laat Saul hem met bed en al halen, trekt de deken weg en zie: daar ligt een masker met wat geitenhaar erop in bed (19:16). De koning staat compleet voor gek bij zijn dienaren.
De patronen worden steeds duidelijker: Saul verliest terrein, aanzien (hij wordt in geestesvervoering en naakt bij de profeten getekend (vgl ook 10:10-12) en David is de ware koning, die niet uit is op de dood van Saul en die meer en meer op de vlucht moet. Sterker nog: de liefde van Davids kant voor Saul en zijn huis is voorbeeldig. In Jonatan heeft hij een hartsvriend en in hoofdstuk 20 wordt niet zozeer David als wel Jonatan getekend. We zijn immers op een cruciaal punt aangeland: Jonatan moet kiezen: óf hij vervolgt samen met zijn vader David en stelt zo zijn troon zeker óf hij geeft zijn toekomstige koningschap aan David weg (en biedt daarmee Israël toekomst!).
De vriendschap tussen David en Jonatan wordt geschetst in een verhaal dat haaks staat op dat van Kaïn en Abel in Genesis 4. Die tweelingen zouden broeders moeten zijn maar broeder landbouwer slaat broeder herder dood. Hier gaan de landbouwer en de schaapherder samen het veld in (de zin: ‘Laten we het veld ingaan’ staat niet in de Hebreeuwse tekst van 4:8 maar komt hiervandaan, 20:11). Daarmee loopt David een geweldig risico: het veld is immers de plek waar geen vreemde ogen meekijken. Alleen de wapendrager moet worden misleid en dat gebeurt door een ‘pijlorakel’ (20:35-40; vgl. II Kon. 13: 14-19).
Jonatan is eigenlijk de ‘goede kant’ van Saul. Je kunt hem niet van zijn vader losmaken. In Jonatan is noord Israël met David verbonden voor altijd. Maar hij blijft ook zijn vader trouw.