Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 1. 17 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

DAVID EN GOLIAT (I Samuel 17)
De Filistijnen zijn de ‘modelvijanden’ van Saul: de onbesnedenen worden ze genoemd. Dat verwijst naar volken als de Babyloniërs en hun opvolgers, maar vooral ook naar de Grieken. Vanaf de vijfde eeuw voor Christus vinden we Grieken overal in het oostelijke bekken van de Middellandse Zee. In zekere zin hebben zij de snelle opmars van de op Griekenland georiënteerde cultuur na de veroveringen van Alexander de Grote voorbereid. In de bijbel vinden we allerlei aanwijzingen die duiden op Griekse invloed. Heel veel Hebreeuwse woorden komen uit het Grieks! Dat is een van de motieven om te stellen dat veel bijbelteksten vrij laat hun uiteindelijke vorm hebben gekregen. De ‘vertelde tijd’ in ons verhaal is, zeg maar even voor het gemak, 1000 v. Chr. Maar in de tijd waarin het ons verteld wordt, zitten we honderden jaren later, met alle kenmerken van die latere tijd. In de vertelling over Goliat merk je dat ook. Deze onbesneden Filistijn wordt getekend als een Griekse hopliet, een zwaar geharnaste infanterist. Wie in een museum zijn bewapening bekijkt, ziet Goliat voor zich. Hij treedt hier op als solostrijder (dat zijn hoplieten overigens juist niet), maar de strategie van de kampvechter kennen we ook uit de klassieke wereld. Goliat is een reus van een man en boezemt de slagorden van Israël behoorlijke schrik in. Niemand durft hem aan.

Midden in de vertelling over Goliat wordt David geïntroduceerd. We kennen hem al uit hoofdstuk 16. Kennelijk lopen er allerlei introductieverhalen door elkaar heen. De opbouw van I Samuël 17 stelt ons voor allerlei vragen, maar die doen hier minder ter zake. David komt zijn drie oudste broers op verzoek van zijn vader Isaï proviand brengen. Dienst doen in het leger van Saul betekent dat je voor je eigen ‘rats, kuch en bonen’ moet zorgen. Bovendien krijgt de overste over duizend ook nog eens kaas: je moet de commandant ook te vriend houden. Als David zijn taak als boodschappenjongen heeft volbracht, komt het aan op zijn eigenlijke werk: de ontmoeting met Goliat. Die staat te schreeuwen en dat trekt Davids aandacht. Waar we in 17:10.25 lezen dat Goliat de slagorden van Israël tart, vinden we in de mond van David dat hij de slagorden van de levende God tart! (17:26). Dat is de manier waarop de Messias naar Goliat kijkt. Hier staat immers de vertegenwoordiger van het heidendom pur sang tegenover de representant van de God van Israël.
Saul durft hem niet aan te pakken. Saul is in zekere zin zelf een goliat, met zijn grote lijf, maar ook in zijn manier van zien. Want de God van Israël ziet immers anders dan mensen, hebben we net bij de zalving van David gehoord. Saul heeft een sprookjesachtige beloning uitgeloofd voor degene die Goliat verslaat: rijkdom, toestemming om de prinses te mogen trouwen (dat laatste gegeven komt nog uitvoerig aan de orde) en belastingvrijdom (17:25). Het is natuurlijk zaak voor Israël om een kansrijke kampvechter in het veld te brengen. Een man die het bij voorbaat verliest, laat het Israël bij voorbaat verliezen. In dat licht is het bijzonder (ook bijzonder mooi) dat Saul David laat gaan. Hij geeft in zekere zin aan de nieuwe messias de kans om te laten zien hoe de God van Israël bevrijdt: niet door macht of geweld. Als David de wapenrusting van Saul past, horen we niet dat die hem te ruim zit, maar dat David daarin niet geoefend is:
‘...hij (David) deed moeite om te lopen, want hij had het nog nooit geprobeerd. David zei tegen Saul: Ik kan hierin niet lopen, want ik heb het nog nooit geprobeerd. Daarop deed David het weer uit.’ (17:39).
De vertegenwoordiger van de Heer moet het nu eenmaal niet hebben van wapentuig. Hij is een herder, zoals de Heer zelf de goede herder is van zijn volk (Ez. 34). Een stok en een staf tot troost zijn dan genoeg, en de slinger om de schapen tot de orde te roepen. Zo staat de herder tegenover de hopliet, de kansloze tegenover de machthebber. En het zou geen verhaal over de God van Israël zijn, als het geen onverwachte wending zou krijgen: de steen uit de slinger treft Goliat in zijn hoofd, Goliat valt en blijft even liggen, waardoor David hem het hoofd kan afhakken (vgl. ook Ri.7:25). Dat hoofd brengt hij naar Jeruzalem, lezen we in 17:54. Wie de bijbelse geschiedenis leest als een historisch verslag, moet nu de wenkbrauwen wel fronsen, omdat David pas in II Samuël 5 Jeruzalem verovert. Maar duidelijk is waarom het gaat: Jeruzalem is de stad van zijn koningschap. En het verslaan van de Filistijn is de grote koninklijke klus. David heeft zich als de ware koning bewezen.
Zover is Saul nog niet. In het slot van het verhaal moet hij zijn generaal Abner nog vragen wie die David eigenlijk is, terwijl we in 16:14-23 David bij Saul aantreffen en er een goede vriendschap tussen beiden ontstaat. Heeft de bijbelse redacteur zijn werk dan niet goed gedaan? Als je hem op het Procrustesbed van onze logica legt misschien wel. Maar als je let op het vervolg wordt zijn keuze al begrijpelijker: hij wil vertellen hoe David in de strijd betere resultaten behaalde dan Saul zelf en hoe dat een aanleiding tot haat werd.

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.