Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 1. 16 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

DE OPKOMST VAN DAVID (I Samuel 16)
Samuël is nog steeds in de rouw als de Heer alweer nieuwe plannen heeft:
‘Vul je hoorn met olie, en ga; ik zend je naar Isaï, de Betlehemiet; want Ik heb voor mij een koning gezien onder zijn zonen.’ (16:1).
Daarmee loopt Samuël risico’s van de kant van Saul en het is nota bene de Heer zelf die hem een dekmantel verschaft: als hij een jonge koe meeneemt om te offeren, dan zal niemand lastige vragen stellen.
Zijn komst in Betlehem is onverwacht en de oudsten schrikken ervan. Wat komt de oude richter doen?
‘Men zei: “Is je komst vrede?”
“Vrede!” zei hij.’ (16:5)
Hij zet het ritueel van de offermaaltijd in gang, inclusief de heiliging daartoe (je kunt niet zomaar even onvoorbereid aanschuiven). Met name de familie van Isaï wordt vermeld. Daarin moet immers, weet Samuël, de nieuwe koning zich bevinden (16:1).
De zonen komen binnen. Het zijn er zeven waarvan de oudste drie worden genoemd (zo ook in 17:13). Eliab, de eerste, maakt indruk op Samuël:
‘Hier staat tegenover de Heer zijn Messias’ (16:6),
denkt hij. Maar de Heer raadt zijn gedachten:
‘Let niet op zijn verschijning en niet op zijn rijzige gestalte, want ik heb hem verworpen. Immers niet telt wat de mens ziet. De mens ziet met zijn ogen, maar de Heer ziet met het hart’ (16:7).
Die vertaling wijkt wat af van wat de meest gangbare vertalingen hebben, even parafraserend: ‘De mens let op de buitenkant maar de Heer let op het innerlijk.’ Dat laatste lijkt een te flauwe interpretatie van de woorden van God. Het gaat immers om het hart, als plek van de oriëntatie van een mens. Het hart is de zetel van de overwegingen in de bijbel. De nieuwe gezalfde moet leren kijken zoals de Heer zelf kijkt: met het hart en niet alleen met de ogen. Dan zien de mensen en de zaken er anders uit en zie je die in een nieuw (messiaaans) perspectief.
Na Eliab komen Abinadab en Samma, en nog vier zonen: zeven in getal. Daarmee is het gezin compleet, denkt de lezer. Behalve Samuël die moet doorvragen omdat hij nu eenmaal gehoord heeft dat de nieuwe koning zich onder de zonen van Isaï bevindt. Op de vraag van Samuël aan Isaï of dit al zijn zonen zijn, is het antwoord sprekend:
‘Nog een resteert, de jongste. Ach, hij weidt de schapen…’ (16:11).
Iedereen die iets van bijbelse theologie heeft meegekregen, begrijpt dat dát hem moet zijn. De jongste, dat is nu eenmaal de uitgesproken voorkeur van de God van Israël, en ook nog eens: ‘Hij is bezig de schapen te weiden.’ Zoals Saul achter de ploeg vandaan werd gehaald in hoofdstuk 11, zo wordt David achter de schapen vandaan getrokken. Hij is in functie geroepen, als herder. Het herderschap gaat aan zijn koningschap vooraf. En hij wordt gezalfd te midden van zijn broeders (16:13), precies zoals in de al eerder geciteerde koningswet staat vermeld (Deut. 17:15). De nieuwe gezalfde is eerst broeder en herder en dan pas koning!

Nu zijn er twee gezalfden: Saul en David. De verworpen en uitgekozen koning. Dat moet spanningen geven en die breken straks ook door, maar niet dadelijk, zoals je verwachten zou. Waar in 16:13 staat dat de Geest van de Heer David aangrijpt, verlaat die Geest Saul. Het charisma verdwijnt bij Saul, hij wordt depressief. Zijn bedienden leggen zijn sombere buien zelfs uit als een ‘boze geest van God.’ Het advies dat ze hem geven – wat afleidende citermuziek – past naadloos op het profiel van David, waardoor die bij Saul aan het hof komt. Zo wordt niet alleen de herder en de held David geïntroduceerd, ook de psalmist. Isaï is een trouwe aanhanger van Saul: hij geeft David geschenken mee als hij hem naar het hof stuurt. Ontroerend is de band die tussen de bekende en de verborgen gezalfde ontstaat:
‘Zo kwam David bij Saul, hij kwam bij hem in dienst en hij (Saul) kreeg hem zeer lief. Hij (David) werd zijn wapendrager’ (16:21).
Het is niet de bedoeling om te vertellen dat David aan Saul wel ‘beviel’, alsof het zomaar om personeel gaat. Saul krijgt David lief en die liefde zal straks afkoelen. Maar de keerzijde ervan niet: de liefde van David voor Saul en diens zoon Jonatan zal blijven bestaan door de dood heen. Dat moeten we ons bedenken in de geschiedenissen van David en Saul: dat het niet gaat om zoiets triviaals als rivaliteit. Die speelt slechts aan de oppervlakte een rol. Het gaat uiteindelijk om een koning, Saul, die het noordrijk vertegenwoordigt. Dat rijk zal in de grote historie verdwijnen, het afleggen tegen de volken. Maar is daarmee ook Israël werkelijk verdwenen? Afgezien van het feit dat je kunt zeggen dat de latere Samaritanen zich de ware voortzetters van Israël zullen voelen, híer is straks van belang dat de verborgen Messias, David, niet uit is op de ondergang van Saul en ook niet op het rijk dat hij vertegenwoordigt. David zal noord en zuid in zijn hart sluiten zoals hij Saul en Jonatan heeft gedaan.

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.