Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 1. 11 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

SAUL EN JABES (I Samuel 11)
Saul krijgt al gauw de kans zich te bewijzen. De Ammoniet Nachas (‘Slang’) trekt op en belegert Jabes in Gilead. Gilead is ver weg, het heuvelland aan de noordoostzijde van de Jordaan, het stamgebied van Transjordaans Manasse. Ammon heeft als kerngebied de regio rondom de huidige stad Amman. Nachas (hij wordt geen koning genoemd!) wil een hem door de Jabesieten aangeboden verbond wel accepteren, als zij bereid zijn hun het rechteroog te laten uitsteken. Daarmee worden ze onbruikbaar in de oorlog. Wie de pijl en boog hanteert, knijpt zijn linkeroog dicht om te richten en ziet vervolgens niets meer in het aanbod van Nachas. De oudsten van Jabes willen er daarom een nachtje over slapen en doen een vanuit strategisch oogpunt bijzonder vreemd voorstel:
‘De oudsten van Jabes zeiden tot hem: Geef ons zeven dagen de tijd; intussen sturen wij boden door het hele gebied van Israël; en als er niemand is die ons bevrijdt, dan komen wij naar buiten.’ (11:3).’
Het vreemde is natuurlijk dat ze aangeven hulp te willen halen. Welke veldheer gunt dat zijn tegenstanders?! Dat is Nachas. De reden daarvan is in de bijbel zelf terug te vinden. Toen de stammen gezamenlijk optrokken om een wandaad in Benjamin te bestraffen, liet Jabes het afweten (Ri. 21:8-12). Jabes liet de broeders zitten en hoeft nu niet op hulp te rekenen, denkt Nachas. Daarmee heeft hij buiten de waard, de koning gerekend. En uitgerekend die nieuw uitgeroepen koning heeft banden met Jabes: daar komt zijn grootmoeder van moeders zijde bij wijze van spreken nog vandaan (zie opnieuw Ri. 21:8-12). Als de boden uit Jabes hun verhaal komen doen in Benjamin, barst het volk in luid snikken uit. Ook Samuël hoort het huilen en vraagt wat er aan de hand is. Nu blijkt wie de door God gewenste gezalfde is:
‘Toen Saul deze woorden hoorde, werd de Geest van God werkzaam… ‘(11:6)
Het stukhakken van het span runderen en het door de stamgebieden heen sturen van de brokken, lijkt op het gruwelijke verhaal van Richteren 19, waar een man zijn bijvrouw in stukken hakt en de brokken rondstuurt. De schrik zit er ook dan meteen goed in en Israël wordt wakker geschud. Als één man treden de Israëlieten op (Ri. 20:1). Dat is nu met Saul ook het geval: als één man treden ze op, nadat ‘de Schrik van de Heer’ op hen gevallen is. Hij toont zich de ware leider. Zo treedt de Messias van de Heer op: hij komt op voor de broeder in nood, die geen hulp heeft. De schildering van de messiaanse koning in Psalm 72 is op Saul van toepassing: de psalm die de gebeden van David afsluit en een ‘droomkoning’ bezingt.

De afloop van de strijd wordt in klassieke termen beschreven. Saul verdeelt zijn mannen in drie groepen en overrompelt de Ammonieten. Minder klassiek is wat er daarna gebeurt: er volgt geen bijltjesdag. In 10:27 hadden we immers gelezen dat enige nietsnutten de verlossing met Saul niet zagen zitten en hem geen geschenk brachten. Voor de hand zou hebben gelegen zich van deze potentiële lastpakken te ontdoen.
Als je de tekst goed leest, zie je dat er een stap verder wordt gezet:
‘…Hoe zou hij ons kunnen bevrijden?’ (10:27)
‘…Zou Saul koning over ons zijn?’ (11:12)
Ze hadden zijn koningschap niet in twijfel getrokken maar zijn bevrijdende capaciteiten. En in zekere zin geeft Saul hun gelijk:
‘Niemand zal op deze dag ter dood worden gebracht,
Want vandaag heeft de Heer bevrijding tot stand gebracht in Israël.’ (11:13). Niet de koning bevrijdt maar de Heer, zolang hij koning is bij de gratie Gods.
Daarom kan het koningschap worden vernieuwd. Nu staat heel het volk achter het koningschap van Saul. Geen oppositie wordt meer gehoord.

Van belang is ten slotte erop te letten dat Saul hier opgeroepen wordt terwijl hij ploegt. Saul is een landbouwer. David wordt straks als schaapherder geroepen. Dat laatste gegeven moeten we vooral meenemen. Saul vertegenwoordigt het landbouwende noorden, David het schaaphoedende zuiden. Landbouwers en schaapherders hebben het de eeuwen door moeilijk met elkaar gehad. Al in de oude wet van Chammurabi, de koning van Babel, (1792-1750 v Chr.) vinden we geregeld hoe de schade moet worden vergoed als iemands schapen in het veld van een bouwboer hebben gegraasd. Dat moet in Israël ook een veel voorkomende praktijk zijn geweest. Landbouwers en schaapherders, die beroepen bijten elkaar, zoals Kaïn en Abel. In het vervolg wordt dat breed uitgewerkt.