Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 1. 09-10 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

DE EERSTE KONING (I Samuel 9-10)
De eerste koning komt uit Benjamin. Dat is de kleinste stam, waarom mag die de eerste koning leveren? Je kunt er – opnieuw buiten de tekst om – een antwoord op proberen te vinden. Zoals: de grote stammen Efraïm en Juda gunden elkaar de koning niet. Een koning uit een klein stamgebied leverde de minste risico’s. Maar wat we eerder bij de bespreking van verhalen uit Richteren / Rechters zagen, is dat ‘Benjamin’ verwijst naar het noordrijk. Benjamin was de enige volle broer van Jozef en hoort dus familiair bij de Jozefstammen, bij Efraïm en Manasse, het Noorden dus. Maar politiek vind je Benjamin met het zuiden verbonden, in het Tweestammenrijk (I Kon. 12:21). Benjamin is de brug tussen de broeders.
De eerste koning is ‘zoon van…’ Dat wil zeggen: in het verhaal van zijn roeping wordt eerst over zijn vader verteld. Niet over zijn eigen bijzondere kwaliteiten, maar ‘Kis, de zoon van Abiël, de zoon van Seror, de zoon van Bekorat, de zoon van Afiach, een Benjaminiet…’ We zitten dus diep in de familie. Zijn afkomst is zo helder als glas: door en door Benjaminiet. Hij heeft een zoon, Saul, jong en knap en met kop en schouder uitstekend boven iedereen (9:2). Kortom: de ideale man.
In het roepingsverhaal wordt verteld dat er ezelinnen van de familie zoek zijn en dat Saul gevraagd wordt die te gaan zoeken. Saul zoekt samen met een knecht stad en land af. Zo verkent hij het gehele gebied. Hij wordt getekend als een zoeker, iemand die zich zorgen maakt om ezels én om zijn vader:
‘Toen zei Saul tegen zijn knecht die bij hem was: Kom, laten wij terugkeren. Anders zal mijn vader niet meer aan die ezelinnen denken, maar zich over ons zorgen maken’ (9:5).
Maar de knecht brengt Saul op andere gedachten: er is een godsman in de buurt en die kan misschien helpen. We komen op deze manier in de buurt van Samuël. Saul en Samuël moeten elkaar ontmoeten. Het gaat er immers niet om dat Saul vindt maar gevonden wordt. De godsman moet worden betaald (hij leeft van zijn religieuze diensten): ze hebben een kwartje bij zich en dat moet genoeg zijn (9:8). In 13:21 kost het slijpen van een bijl meer…
Ze komen bij de ziener (9:9). Daarom zal het straks gaan. Samuël zal in Saul meer zien dan een knappe boerenjongen (zie ook 16:1 in de beneden geboden vertaling). Hij moet een leider in hem vinden:
Toen Samuël Saul zag, antwoordde hem de Heer: Zie, dit is de man, van wie Ik je gezegd heb: “Deze zal over mijn volk heersen” (9:17).
Het woord koning valt in het hele hoofdstuk nog niet. Dat komt pas in 10:19. Samuël moet Saul tot ‘vorst’, nagied, zalven. Strategisch leider, zouden wij zeggen. Iemand wiens positie niet automatisch door een zoon wordt overgenomen. Straks zal het volk ‘Leve de koning’ roepen… (10:24), maar zo is hij niet gezalfd. Dat heeft het volk meteen van hem gemaakt. Straks, bij de roeping van David zal het woord koning wél direct vallen:
‘Vul je hoorn met olie, en ga; ik zend je naar Isaï, de Betlehemiet; want Ik heb voor mij een koning gezien onder zijn zonen.’ (16:1).
Saul zoekt ezelinnen, maar Samuël vindt hem. De boerenzoon wordt met alle égards behandeld. Hij begrijpt zelf niet waarom. Hij is immers een onbelangrijke jongen, uit een onbelangrijke familie uit een kleine stam… (9:21). Zo hoort het: de aanstaande leider van Israël is vorst tegen wil en dank en geen man die deze positie met bloed heeft veroverd.
In het tweede deel van het roepingsverhaal (er zijn kennelijk allerlei verhalen over de roeping van Saul in omloop geweest) vind je dat motief nogmaals: dan wordt Saul zelfs tussen het pakgoed vandaan geplukt (10:22).
Saul wordt gezalfd (10:1) en daarmee wordt hij Messias, gezalfde van de Heer. Later zal in de competitie met David, die term gezalfde, Messias, steeds terugkeren. Saul is en blijft tot in zijn dood Messias van de Heer.
Na zijn zalving wordt nog verteld dat Saul charismatisch wordt ingepakt. Hij komt onder invloed van de profeten en hij profeteert (10:11). Daarbij moet je niet denken aan een man die op een zeepkist een boodschap staat te brengen, maar aan iemand in geestesvervoering, in extase. Het Hebreeuwse woord ‘profeteren’ kun je ook vaak met ‘razen’ vertalen en profeten zijn dan ook vaak voor wonderlijke lieden versleten. Mesjogge in het Hebreeuws, zie bijvoorbeeld II Koningen 9:11!
Saul krijgt hier een charismatische tik mee en dat zal hem helpen straks door de Geest van de Heer te worden bezet.
Nu hij leider is, wordt hij nog niet door iedereen erkend (10:27). Hij moet zijn plek verdienen, zullen we zien. Ofwel: zich als de gezalfde bewijzen.