Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 1. 01-03 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

SAMUËL GEROEPEN (I Samuel 1-3)
‘Er was een of andere man uit Ramataïm-Sofim uit het gebergte van Efraïm…’
Zo begint 1 Samuël. Een opening die doet denken aan de ouverture van Richteren 17, een verhaal dat bar en boos afloopt, waardoor je denkt: daar gaan we weer! Maar dit verhaal ademt een heel andere sfeer. De man, Elkana, wordt geschetst als een vrome Israëliet. Hij heeft twee vrouwen, Hanna, ‘Vrouw van genade’, en Peninna, ‘Koraal’. Hanna is de beminde, maar ze is kinderloos. Zo gaat dat in de bijbel vaker. Jakob heeft twee vrouwen, Rachel en Lea, van wie de beminde Rachel ook kinderloos blijft. Twee vrouwen in één huwelijk brengen steeds rivaliteit mee. We zagen dat ook al bij Sara en Hagar.
Als het om een onvruchtbare vrouw gaat, moeten we onze waarneming op scherp zetten: uit haar wordt een kind geboren dat haar gegeven is en dat een hoofdrol in de heilsgeschiedenis zal spelen. Peninna mag dan kinderen hebben, maar we horen van hen niet.
Als Peninna Hanna tot het uiterste tergt, bidt Hanna tot de Heer. Eli, ‘Verhevene’, de oude priester van Silo, zit op zijn stoel in de deurpost. Eli wordt steeds zittend in een stoel of liggend in zijn bed getekend. De ene keer dat hij uit zijn stoel komt, breekt hij zijn nek (4:18).
Hanna bidt en doet een gelofte:
‘Heer van de legerscharen,
als u werkelijk ziet op de ellende van uw dienstmaagd,
als u mij gedenkt en uw dienstmaagd niet vergeet
en u geeft uw dienstmaagd een manlijke nakomeling,
dan zal ik hem aan de Heer geven, voor alle dagen van zijn leven
en geen scheermes zal over zijn hoofd gaan.’ (1:11)
De aanspreektitel ‘Heer van de legerscharen’ herinnert eraan dat in Silo de ark staat, waaraan de Heer van de legerscharen van Israël is verbonden. Ze wil een kind dragen dat een levenslange taak krijgt. Hij zal een nazireeër zijn. Daarom wordt over het ontbreken van een scheermes gesproken; gedurende hun gelofte schoren de nazireeërs hun haar niet. Men denke in dit verband aan de geschiedenis van Simson. Dit kind krijgt van zijn moeder levenslang nazireaat mee.

De situatie in Silo’s tempel is kennelijk niet rooskleurig. Eli is kennelijk meer gewend aan iemand die dronken is dan aan iemand die bidt… Het kan ook zijn dat hij haar voor een tempelprostituée houdt. In elk geval blaft hij haar weg. Als Hanna haar ware bedoelingen onthult, is de oude priester tóch de man die met gezag spreekt:
‘Ga in vrede,
de God van Israël zal je geven wat je vraag was,
wat je hem hebt gevraagd’(1:17).
Als het beloofde kind inderdaad geboren wordt, krijgt het de naam Samuël. Dat betekent ‘God hoort’. Maar je zou een andere naam verwachten: ‘Gevraagde’. Die naam staat straks ook ruimschoots in dit bijbelboek: Sja’oel, ofwel: Saul. In de geboortegeschiedenis klinkt al een beetje door over wie het straks zal gaan.

Na de afstand van Samuël door Hanna, zingt ze een prachtig lied, dat herinneringen oproept aan het Magnificat van Maria. En aan Psalm 113:
‘Die de geringe laat opstaan uit het stof,
uit de mesthoop opheft de arme,
om die te doen zitten bij edelen,
bij de edelen van zijn volk’ (Ps. 113:8).

‘Die de geringe laat opstaan uit het stof,
uit de mesthoop opheft de arme,
om die te doen zitten bij edelen,
een erezetel laat hij hen erven.’ (1:8)

Het lied staat literair op een goede plek in het boek: de lezer heeft even het kind Samuël niet in beeld. Intussen groeit hij op.
Als Hanna is uitgezongen, gaat het verhaal verder: Eli heeft twee jongens die ‘belialszonen’ worden genoemd, ‘nietsnutten.’ Toen Eli Hanna aansprak als een beschonken vrouw, zei ze:
‘Houd je dienstmaagd niet voor een belialsdochter’ (1:16).
Ze worden geschetst als door en door corrupt. En als de richter het recht al buigt, waar blijf je dan? Het ergste voor de auteur is dat ze de minachting voor het offer in de hand werken (2:17). Het gecorrumpeerde heiligdom verliest aan gezag. Duidelijk is dat er verandering moet komen, en wel van de jonge Samuël.
Eli is niet meer in staat het tij te keren. Inmiddels is hij stokoud geworden. Zijn zonen slapen bij de tempelprostituees (2:22) en het oordeel kan niet uitblijven: een godsman komt het brengen. Van alle woorden die hij spreekt, vallen die in 2:35 het meest op:
‘Ik zal voor mij een betrouwbare priester doen opstaan,
die zal doen naar wat in mijn hart en ziel is.
Ik zal voor hem een betrouwbaar huis bouwen,
hij zal wandelen voor het aangezicht van mijn gezalfde,
alle dagen.’
Gezalfde? Je gedachten gaan al gauw naar dé gezalfde bij uitstek: David.

Samuël is in dienst van Eli. De auteur voegt er in 3:1 aan toe:
‘Nu was in die dagen het woord des Heren schaars; gezichten waren niet talrijk’ (NBG).
In de Hebreeuwse tekst staat: ‘Er was geen visioen dat doorbrak.’ Ofwel: het liep stuk op de priester. God wilde wel maar de mensen werkten niet mee. Terwijl die visioenen en godswoorden juist zo belangrijk zijn voor de tempel. De priester verdient er zelfs voor een deel zijn brood mee.
Uit het vervolg van dit verhaal blijkt dat de sfeer in het hele heiligdom slaperig is. Het is avond, Eli ligt op bed.
‘De lamp van God is nog niet uitgegaan.’ (3:3)
Dat betekent niet dat iemand nog het licht moest uitdoen. Juist niet: de lamp in de tempel is een ‘eeuwig licht’, zoals je dat ook in een Rooms Katholieke kerk vindt. Het symboliseert de God. Het licht van God staat wel op een laag pitje. Zoals het lichtje van Eli: hij heeft staar gekregen. De ziener kan niet meer zien.
Samuël slaapt op een andere plek in deze tabernakel: daar waar de ark van God was. Dat is een belangrijke mededeling. De ark is de kisttroon van God, waarmee we eerder kennismaakten, zoals in Jozua. Israël heeft geen godenbeeld maar een ark, waarop de Heer troont, boven de cherubs, de gevleugelde engel- en dierachtige gestalten op het deksel daarvan. Die ark zal een belangrijke rol spelen in de boeken I en II Samuël. Het heiligdom in Silo heeft de ark en is daarmee extra attractief voor bezoekers. Maar dat schept ook bijzondere verantwoordelijkheden. Samuël ligt vóór de ark die je achter een gordijn moet denken dat het heiligdom in tweeën deelt. Hij ligt dus ‘zo dicht mogelijk tegen God aan’, om het wat plastisch te zeggen. God roept hem: Samuël, Samuël! Bij een roeping vind je vaker de herhaling van de naam, zoals bij het brandende braambos: ‘Mozes, Mozes!’ (Ex.3:4). Samuël rent naar Eli en denkt dat hij om hulp heeft geroepen. Maar Eli sliep, zoals gewoonlijk. Hij heeft niet geroepen en komt ook niet op het idee dat het God zou kunnen zijn. Want God in het tempeltje van Silo…, die verwacht hij niet. ‘Ga slapen’ is zijn sprekende advies. Ook niet bij een tweede keer. Nu rent Samuël ook niet meer: hij staat rustig op en gaat naar Eli toe (3:6).
Samuël ‘kende’ de Heer nog niet, lezen we in 3:7. Hij had geen enkele ervaring met visioenen en godswoorden. Dat ‘kennen’ duidt dus op de visionaire omgang met God. Samuël kent God nog niet, Eli niet meer. Dat is de situatie waarin we zitten. Als de Heer voor de derde maal Samuël roept, wordt Eli pas echt wakker: het kon God wel eens zijn. Niet zo’n vreemde gedachte in de tempel. Hij wijst zijn jonge knechtje nog wel de weg: ‘Geef antwoord, “Spreek Heer, uw knecht hoort!” moet je zeggen.’
Dan volgt het visioen aan Samuël. Onontkoombaar is de Heer:
‘Toen kwam de Heer, hij stelde zich op en riep, net als de vorige keren: Samuël, Samuël!’ (3:10).
Samuël moet wel luisteren en het eerste godswoord dat hij hoort, is meteen een forse onheilsaankondiging over Eli’s huis, zijn twee zonen die de tempel in diskrediet hebben gebracht. De klacht over Eli is, dat hij hen niet eens heeft tegengehouden.
De volgende morgen doet de jonge ziener zijn gewone werk als koster in het heiligdom. Nu roept Eli wel, om de tijding uit de mond van Samuël te vernemen. Hij spreekt hem aan als ‘zoon’, een gebruikelijke titel, waarbij je verwacht dat Eli met ‘mijn vader’ wordt begroet. Maar dat gebeurt niet. Eli hoort het onheil gelaten aan:
‘Hij is de Heer, wat goed is in zijn ogen moet hij maar doen (3:18).
De afbladderende reputatie van Eli en zijn zonen staat tegenover de groeiende reputatie van Samuël. De tempel in Silo wordt de centrale plek voor een godswoord. Want er is weer een ziener in Israël. In die tempel staat de ark, symbool van de presentie van de Heer. Een niet vanzelfsprekende zaak, zullen we merken.