Joods-Christelijke Dialoog

Jozua 01-02

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

KENNISMAKING MET HET LAND (Jozua 1-2)
Jozua is het boek over het ideaal onder handbereik. De Israëlieten staan aan de oostkant van de Jordaan klaar om de rivier over te steken. De toekomst ligt voor hen open. Nota bene: de Jordaan stroomt niet tussen de volkenwereld en het beloofde land. Een deel van Israël vindt immers zijn plek in wat we nu Jordanië noemen: Ruben, Gad en half Manasse (zie ook 1:12). De Jordaan is de rivier die tussen de wet en de profeten stroomt. En Jozua is de verbindende figuur daartussen. De Tora is voltooid – Mozes’ werk is afgerond – nu moet die worden uitgelegd en worden gedaan in het nieuwe land. Dat is de taak van Jozua, de zoon van Nun, die in 1:1 de ‘assistent van Mozes’ wordt genoemd maar op het eind van de rit als de ‘dienstknecht van de Heer’ zal sterven (24:29), de titel die Mozes draagt.
Zover is het nog lang niet.
Eerst wordt duidelijk gemaakt dat het land dat voor Israël ligt, niet een te veroveren land is, maar een geschonken land. Zoals het volk Israël zelf een geschenk te midden van de volkenwereld is, zo is dit land een gave. En een opgave tegelijk.
De grenzen die worden aangegeven zijn dan ook droomgrenzen: zo groot is Israël nooit geweest. Ook niet bij de uitgifte van het land in het tweede deel van het boek.
Jozua moet sterk en moedig zijn (dat zei Mozes ook al in Deut. 31:6 tegen de Israëlieten; Deuteronomium en Jozua sluiten prachtig aan) en hij moet vooral de Tora niet vergeten, maar die reciteren, dag en nacht (1:8). Kortom: de woorden uit Psalm 1 worden hier waar. De Tora is gegeven als een wetboek voor het koninkrijk van God. Daarnaar moet Israël leven en Jozua moet het volk daarin voorgaan. Dan is de weg naar en in het land geen doodlopende weg.
Kortom: een ideale situatie. De strijdbare leden van de stammen die aan de oostkant van de Jordaan hun stek hebben gevonden, steken nota bene nog mee de Jordaan over om hun broeders aan de westzijde een handje te helpen. Waar vind je zoveel broederschap?! En ze roepen Jozua op hun beurt toe dat hij sterk en moedig moet zijn (1:18).

Nu moet de oversteek worden gewaagd. Eerst door verspieders die het land moeten verkennen, of beter: ‘het land, namelijk Jericho’ (2:1). Jozua is zelf een van de twaalf verspieders uit Numeri 13 geweest. Het land is al verkend. Het gaat om Jericho. Dat is de sleutelstad. Hij ligt voor de wadi Qelt, de enige doorgang door het gebergte van Juda (de eerstvolgende, de wadi Far‘a, ligt veel noordelijker). Om Jericho kun je niet heen. Twee spionnen gaan en komen en gaan slapen in het huis van een hoer, Rachab. ‘Ruimte’ betekent die naam. Die zinspeelt op Rechobot, de naam die Isaäk geeft aan een put en daarmee aan het land zelf: ‘de Heer heeft voor ons ruimte gemaakt.’ ( 26:22).
Opvallend is dat de twee spionnen bij een hoer komen. Ze ‘slapen’ er (dat heeft een seksuele connotatie en ze ‘komen tot’ Rachab (1:4; dat is al niet minder seksueel geladen). Van Kanaän hebben de heren alleen een hoer gezien…
Je kunt er aardige verhalen omheen hangen, dat een bordeel de enige plek is waar je als vreemdeling kunt komen; dat Rachab feitelijk een herbergierster is die kamers verhuurt. Maar met de Hebreeuwse tekst hebben die oplossingen niet zoveel te maken. Betekenisvoller is dat Kanaän juist het land wordt genoemd van het grote overspel: Israël zal er overspelig (het Hebreeuws heeft: hoerig) achter andere goden aanlopen. Het is een theologische lijn die je uitgewerkt bij latere profeten als Jeremia en Hosea vindt en die doorloopt tot het slot van Openbaring: Israël / Jeruzalem is de maagd, de bruid, het meisje Sion. Kanaän en zijn bevolking is de hoer, de overspelige. En elke keer kiest Israël ervoor om andere goden achterna te lopen en laat haar bruidegom in de steek. Die theologie ligt achter het verhaal over Rachab. Zij is in haar beroep de ‘modelvrouw’ van het land, het ‘kaasmeisje van Kanaän.’
Wordt in de profetenboeken een hard oordeel geveld over het overspelige Kanaän dat Israël verleidt (meteen in Joz. 2 lijkt dat het geval), verbazingwekkend genoeg vinden we dat hier niet. Nota bene de hoer Rachab biedt de spionnen niet alleen een veilig onderdak, ze biedt hun vooral solidariteit. En dat vraagt ze nu van hen.
Nadat ze tegen de garde van de koning die de verspieders komt zoeken, gezegd heeft dat ze van niets weet (2:4), blijkt ze nu van alles te weten, en wel van de Heer, de God van Israël, die de Rietzee heeft laten opdrogen. Alsof ze op catechisatieles gezeten heeft, raakt ze de kern van de Tora: ‘Ik heb jullie chèsed, ‘solidariteit’ (vrome joden noemen zich daarom ook chassiden) bewezen; bewijzen jullie die solidariteit nu aan mij en geef me een betrouwbaar teken, een >ot >emèt. (2:12). >emèt hangt samen met ons woord ‘Amen’: ‘Het is betrouwbaar.’
Kortom: de hoer Rachab leest de spionnen bijna uit de Tora voor!
Het teken waarom ze vraagt, wordt het beroemde rode koord. Het is de aanwijzing ‘Hier is een bordeel’ of meer theologisch gezegd: ‘Hier is Kanaän op zijn ruimst!’ Het valt niet op voor de bewoners van Jericho. Het moet wél een sprekend teken zijn voor Israël.
De spionnen komen een paar dagen later vertellen dat ‘alle inwoners van het land sidderen.’ Ze hebben alleen met Rachab kennis gemaakt en dat was genoeg (2:24).