Joods-Christelijke Dialoog

Exodus 19-20 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

PINKSTEREN BIJ DE SINAI (Exodus 19-20)
De tocht door de woestijn heeft één halteplaats waar Israël langdurig blijft: de Sinai. Na alle oefeningen met gebrek aan water, brood en vlees en de strubbelingen met de vijand, komt men bij de Sinai aan:
‘In de derde maand na de uittocht van de Israëlieten uit het land Egypte, op dezelfde dag, kwamen ze in de woestijn Sinai’ (19:1).
Volgens een joodse traditie heeft de Heer de geboden gegeven op de vijftigste dag van de uittocht, en wel in zeventig talen. Op Pinksteren dus. Niet zonder reden vertelt Lucas in Handelingen 2 dat iedereen de apostelen in zijn eigen taal hoorde spreken!
Pinksteren is geen zelfstandig feest, maar de vijftigste paasdag en daarmee de afronding ervan. Bij de Sinai zal het dus weerover de uittocht gaan. Dat klopt: het hele gebeuren bij de Sinai is één lange uitleg van de betekenis van de exodus.
De berg zelf is heilig. Wie de gebel Musa of gebel Catharina, twee toppen van het Sinai-massief wel eens heeft beklommen in de mist, kan zich het ontzag van de Israëlieten wel voorstellen. Mozes beklimt de berg, die de verbinding vormt tussen hemel en aarde. En alle elementen van een godsverschijning, een epifanie, zijn aanwezig: vuur, rook, aardbeving, donder (19:18-20). De berg wordt als ontzagwekkend en ontoegankelijk gemarkeerd. Alleen Mozes is de verbindende figuur. Slechts hij mag opklimmen en weer afdalen. Daarmee is ook gezegd dat Mozes wederzijds de klappen zal moeten opvangen.
De eerste geboden die worden gegeven zijn de Tien Woorden. We hebben ze ook in andere samenstelling dan hier in de Hebreeuwse bijbel, maar dat is niet zo ter zake. Er is veel geschreven over de vorm waarin deze geboden zijn gegoten en de overeenkomsten en verschillen met wettencomplexen van omringende volken. Voor de doorgaande lijn in dit boek is dat nu niet zo van belang. Wat moet worden opgemerkt is dat de Tien Woorden zo enorm verschillen van de overige geboden die worden gegeven. Die gaan steeds uit van een casus: ‘Wanneer geval X zich voordoet, handel je op manier Y en zo niet, dan volgt sanctie Z.’ Maar de Tien zijn ‘apodictisch’, dat wil zeggen: ze zijn in generale zin geformuleerd met ‘Je zult / mag niet’. De Tien Geboden vormen in zekere zin de grondwet en daarmee de basis van de andere geboden die nog in groten getale zullen volgen.
De Tien beginnen met een zelfpresentatie van de wetgever zelf:
‘Ik ben de Heer, je God,
die je uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heb geleid’ (20:2).
Opvallend is dat de toegesprokene in het enkelvoud staat. Niet ‘jullie in het algemeen’. Als de God die spreekt een Naam en een gezicht heeft, moet de toegesprokene ook profiel hebben.
De God die spreekt en gebiedt is dus de bevrijder. In die functie spreekt Hij hier! De exodus uit Egypte is letterlijk en figuurlijk vertrekpunt.
Met het eerste gebod – Er zal voor jou geen andere god voor mijn aangezicht zijn – valt de wetgever met de deur in huis. Andere goden maken namelijk slaven. Ze zijn erbij gebaat dat ze op hun wenken worden bediend. De God van Israël wil nu juist een (huwelijks)relatie. En de Tien Woorden vormen in zekere zin de huwelijkse voorwaarden.
Wie het heilig huwelijk kunnen dwarsbomen zijn de andere goden die naar Israëls hand kunnen dingen. Daarover gaat het tweede gebod. Die goden mogen op geen enkele manier wat voorstellen en ook niet worden voorgesteld in wat voor afbeelding ook. Israël moet geen beeld van God maken maar een beeld van God zijn, zoals we ook al uit het scheppingsverhaal hadden begrepen.
Het tweede gebod verwijst naar het leven in Kanaän, waar naast Israël ook andere volken wonen, die er baäls en astartes, vruchtbaarheidsgoden en –godinnen op na houden. Het is een verleidelijke religie, zoiets als ‘u vraagt, wij draaien.’ Anderzijds moet men zich de verleiding kunnen voorstellen: de Kanaänitische kuststrook heet wel het land van melk en honing, maar is de facto een ongelukkige keus om te wonen. Het is de verbindingsstrook tussen Azië, Afrika en Europa, met alle gevolgen van passanten van dien. Het gebied heeft nauwelijks natuurlijke hulpbronnen. Er zijn nauwelijks bruikbare rivieren en in het zuiden is de regen een hoogst onzekere factor. Driekwart van Kanäan is woestijnachtig. In zo’n regio lijkt een vruchtbaarheidsreligie geen overbodige luxe. Die biedt wat mensen bitterhard nodig hebben.
De aantrekkingskracht is groot blijkt uit de geschiedenis. Er zal, zeker buiten Jeruzalem, ook wel een versmelting zijn geweest van de officiële godsdienst en locale vruchtbaarheidstradities.
Dat de Heer niet gedeeld wil zijn met andere goden, komt sterk naar voren in de uitdrukking:
‘…Want Ik, de Heer, je God, ben een jaloerse God,
die de ongerechtigheid van de vaderen controleer bij de kinderen,
bij het derde en vierde geslacht van hen die mij haten,
en die liefde betoon aan duizenden,
aan hen die mij liefhebben en die mijn geboden onderhouden’(20:6).
De sociale achtergrond van het gebod is het zogenaamde vaderhuis: een sociale unit van drie of vier samenwonende generaties. De Heer controleert of de misstappen in cultische zin die de vaderen bedrijven door de kinderen worden overgenomen. Dat is het ‘bezoeken’ in veel bijbelvertalingen.
De Heer kan die andere goden gewoon niet verdragen: hij is jaloers.
Het derde gebod betreft het misbruik van de Naam. We spraken er al over naar aanleiding van Exodus 3. De achtergrond zou gelegen kunnen zijn in zwarte kunst, waarin met de godsnaam gemanipuleerd kan worden. Die naam kan door allerlei tovenaars worden gebruikt. Overigens: nog steeds persen we in de rand van de twee euromunt ‘God zij met ons’, herinnerend aan de tijd dat mensen een randje van de gouden of zilveren munt afschraapten, waardoor de ijking verloren ging. De godsnaam moest dat tegengaan.
Het eerste deel van het vierde gebod luidt letterlijk:
‘Gedenk de sabbatdag door die te heiligen (of: met het doel dat je die heiligt).
Zes dagen zul je dienen en je hele opdracht uitvoeren,
maar de zevende dag is een sabbat van de Heer, je God.
Niet zul je ook maar iets van je opdracht uitvoeren,
Dat betreft jou, je zoon, je dochter, je slaaf, je slavin,
je vee, je vreemdeling die in je steden woont…’
En dan volgt die motivatie, die in de schepping is gelegen. Bij het sabbatsgebod in Deuteronomium 5:15 ligt de motivatie in de uittocht uit Egypte. Eigenlijk is de sabbat dus een gedenkdag, waarbij de inzet van het gedenken de heilsgeschiedenis is. Dat doet de Heer zelf ook!
Het vijfde gebod betreft de zorg voor de ouders:
‘Eer je vader en je moeder,
opdat je een lang leven hebt op de akkerbodem
die de Heer, je God, je geven zal’ (20:12).
Dat ‘eren’ is niet met twee woorden spreken of iets dergelijks. Het gaat om de dagelijkse zorg voor de ouden. Wanneer men in een vaderhuis samenwoont en er is weinig voedsel, liggen de ouden als economisch nuttelozen al gauw aan de laatste speen. Dit gebod zegt: ‘Als jij goed voor je ouders zorgt, geef je daarmee het goede voorbeeld aan je kinderen en zorgen zij straks goed voor jou, zodat je een lang leven hebt.’
Het zesde gebod luidt:
‘Je zult niet moorden.’
Het gaat niet om doden als zodanig, maar om wederrechtelijk doden. Het leven is immers niet van jou en je kunt er dus ook niet zomaar over beschikken, zeker niet over dat van een ander.
Het zevende gebod is:
‘Je zult geen overspel plegen.’
Het gaat niet om echtscheiding: die wordt in het Oude Testament geregeld (vooral vanuit de positie van de man overigens). Echtbreuk, of beter ‘overspel’ is een inbreuk op de verloving of het huwelijk van een ander.
Het achtste gebod is:
‘Je zult niet stelen.’
Er staat niet bij wat je niet mag stelen of wat diefstal is. Er wordt wel aangenomen dat er in een eerdere versie gestaan zou hebben ‘Je zult geen mensen stelen.’ Een voorbeeld van zo’n diefstal is die van Jozef, door zijn broers. Als Jozef in de gevangenis van Egypte zit, zegt hij tegen de schenker en de bakker:
‘Zomaar gestolen ben ik uit het land van de Hebreeën
En ook hier heb ik niets gedaan waarom ze mij in dit kot hadden kunnen zetten’ (40:15).
Het negende gebod betreft het valse getuigen voor de rechter:
‘Niet zul je optreden tegen je naaste als een vals getuige’ (20:16).
Omdat volgens de Tora op basis van het getuigenis van twee of drie mensen een zaak vaststaat, zijn vals getuigenis en meineed levensgevaarlijke zaken voor een beschuldigde. Men kan denken aan het proces tegen Nabot in 1 Koningen 21, en uiteraard aan de ‘rechtsgang’ bij Jezus.
In het tiende gebod lezen we in een wat parafraserende vertaling:
‘Je zult niet vol begeren plannen maken om het huis van je naaste te krijgen,
Je zult niet vol begeren plannen maken om de vrouw van je naaste te krijgen,
zijn slaaf of slavin,
zijn os of ezel,
of wat ook maar van je naaste is’ (20:17)
Het gaat in het Hebreeuwse woordje ‘begeren’ niet om het verlangen an sich, maar om het treffen van voorbereidingen om een en ander ook daadwerkelijk in handen te krijgen.
Verder zal het bij ‘huis’ niet om de woning maar om de familie gaan, zoals bij ons als we spreken van ‘het koninklijk huis.’ Voor dat huis is de vrouw verantwoordelijk (ze is dus niet onbelangrijker dan de woning).

Je zou kunnen zeggen: de Tien Woorden reguleren het leven zó dat het mensen de mogelijkheid biedt om als vrije mensen te leven in het nieuwe land en met elkaar een relatie aan te gaan. Je bent er niet door niet te doden, echtbreken, te stelen, etc. Want de keerzijde van de geboden is: respecteer het leven, de relatie van de ander, het bezit van de ander. Dat levert in het nieuwe land nieuwe mensen op.