Joods-Christelijke Dialoog

Exodus 12-15 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

PASCHA EN UITTOCHT (Exodus 12-15)
‘Waarom is deze nacht anders dan andere nachten?’ Met die vraag begint de viering van paasnacht en het antwoord erop vertelt over de geboortegeschiedenis van het volk. In Egypte zijn de Israëlieten naamloze en ongeorganiseerde slaven. Na de exodus zijn ze een volk.
Hoezeer Exodus 12-15 liturgie zijn en geen verslag van de journalist Argus, blijkt uit de manier waarop de instelling van het Pesach, inclusief alle cultische aanwijzingen, vervlochten is met de tiende plaag en de uittocht zelf:
• Instelling van het Pesach, met alle voorschriften.
• De tiende plaag: de dood van alle eerstgeborenen.
• Vertrek uit het land Gosen na vierhonderd en dertig jaar.
• Nadere regelingen voor het Pesach en een preek van Mozes over het feest van de ongezuurde broden en de lossing van de eerstgeborenen.
• Vervolg van de uittocht; de doortocht.
• Liturgische afsluiting met het lied van Mozes en Mirjam.
Men ziet: hier wordt liturgische geschiedenis geschreven.
Van huis uit is het Pesach een landbouwfeest, waarbij het eerste graan, de gerst, werd aangeboden in het heiligdom. Daarbij, is een veronderstelling, werden cultische dansen uitgevoerd en die vormen een verklaring voor de naam Pesach, dat ‘dans’ betekent. Het zou gaan om een hink-stap dans. Dat Pesach wordt hier verbonden met de uittocht en de mazzot, de matses, ongezuurde broden, herinneren nog aan het oude landbouwfeest. De verbinding met de uittocht maakt de viering van Pesach tot het meest fundamentele moment op de feestkalender.
De uittocht ademt ook de liturgie in de manier waarop die tot stand komt:
De nacht loopt voor de machten van Egypte uit op de dood van de eerstgeborene, bij Israël op het leven. Bij de slachting van het paasoffer heeft men bloed gesmeerd aan de deurposten. Net als in Exodus 4:24-26 speelt bloed een magische rol. Door het op de deurposten te smeren wordt het huis taboe voor boze machten. Tot de dag van vandaag smeren bedoeïenen soms bloed aan de touwen van tenten om die daarmee tegen geestelijke indringers te beschermen. Het bloed aan de deurposten heeft een meer dan enkele functie: het is een teken voor Israël: ‘Het bloed zal voor jullie dienen als een teken aan de huizen’(12:13). Het gaat niet zomaar om een merkteken in de zin van: ‘een huis van een Israëliet.’
In de paasnacht zal de Heer voorbijgaan: pasach staat er in het Hebreeuws (12:23). Hij springt, danst voorbij zou je bijna kunnen vertalen. De dood aanzeggen is niet zijn eigenlijke werk. Hem gaat het om het leven. Dat is de focus van de verteller.

Het water speelt weer een basale rol, net als in de schepping. De Rietzee is het water van de ondergang, waarop Egypte doodloopt, maar Israël krijgt een droge doorgang, een plek om te leven midden in de dood. Niet voor niets is in de kerk in de Paasnacht de lezing van Genesis 1 verbonden met die van de uittocht. De exodus is herschepping. Schepping en bevrijding zijn woorden die bij elkaar horen. Wie Jesaja 40-55 leest, merkt hoe diep die verbanden liggen.

Als Israël voor het water staat en met de rug tegen de muur van Egypte, blijkt dat de God van Abraham, Isaäk en Jakob zijn naam waarmaakt: Ik ben. Hij is er als de bevrijdende. De staf van Mozes speelt daarbij een cruciale rol: het is de bekende herderstaf, die hij bij zich had bij zijn roeping bij het brandende braambos (4:17), het symbool van het herderschap van Mozes, dat verwijst naar het herderschap van God.
Tegenover het wapen van de herder staat de overmacht van Egypte die hier, zoals elders in de Hebreeuwse bijbel, met ‘paarden en wagens en zijn ruiters’ wordt aangeduid. Als de herderstaf het water van de dood geslagen heeft, laat de Heer een sterke oostenwind opsteken en het water wegstromen (14:21). Israël zegt niet ‘Wat een mazzel!’ Het wordt verstaan als een teken van de hemel: de Heer die voor Israël strijdt. Wat we hier bij de uittocht uit Egypte zien, vinden we opnieuw bij de intocht in het land: het water van Jordaan wordt zijn plaats gewezen en de Heer strijdt voor zijn volk. De zware wagens glijden in de modder weg (14:25). De machten zakken in de blubber en de soldaten en de paarden vinden in het water de dood. Mozes zal dat aspect in zijn lied bezingen: ‘Het paard en zijn ruiters stortte hij in zee’ (15:1) en Mirjam en haar vrouwenkoor zal het als refreinzang opnemen (15:21). Ik ben, Hij is: in elk geval een grote God van kleine mensen. Hanna en Maria zullen het haar nazingen. Israël is uit de zee, vooral ook ‘de volkerenzee’ op weg gegaan. Wie dat liturgisch verwoord wil zien, leze Psalm 46, waar de watermassa’s en de volkenzee over elkaar heen schuiven.