Joods-Christelijke Dialoog

Exodus 01-02 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

OVER LEVEN EN DOOD (Exodus 1-2)
‘Dit zijn de namen van de kinderen van Israël…’ Zo begint het boek Exodus. En dan volgen de namen van de elf zonen van Jakob die naar Egypte kwamen. Ze zijn ‘geïdentificeerd’. Hun namen zijn genoemd, die van de koning van Egypte straks niet. De onderdrukkers blijven anoniem. De onderdrukten kunnen bij hun naam worden geroepen om op weg te gaan uit de volkerenwereld vandaan. Dat is de roeping van Abraham en de roeping van Israël. Abrahams exodus uit de wereld van de volken is een model voor de grote uittochten uit Egypte en Babel straks.
Abraham gaat daarom na zijn losmaking uit Babel en Haran direct uit Egypte ( 12:10-20). We weten dus al hoe het afloopt: in Genesis 12 vinden we dat farao Israël na zware plagen zal laten gaan. De belofte aan Abraham met betrekking tot zijn nakomelingschap wordt hier waar: dat zijn volk vruchtbaar zou zijn en in menigte zou uitbreken. Het lijkt wel of de scheppingsopdracht van Genesis 1:28 hier door Israël wordt vervuld.
Dan komt er een kink in de kabel: de zich vervullende belofte wordt door de volken ingeperkt. Er komt een nieuwe farao en die wordt hier eerst koning genoemd (1:8). Dat is geen opsteker. Buitenlandse koningen zijn dwingelanden in de bijbelse geschiedenis en veroorzaken doorgaans ellende. Hier gebeurt de onderdrukking in drie stappen.
Eerst een koele overweging: de Israëlieten worden onder druk gezet en moeten dwangarbeid verrichten. De voorraadsteden Pitom en Raämses zijn het bewijs. Maar het resultaat is omgekeerd evenredig aan wat de koning beoogt: Israël groeit tegen de klippen op.
Dan wordt Israël tot slaaf gemaakt
‘Toen maakte Egypte de kinderen van Israël tot slaaf, door ‘geweld’(1:13):.
Dat woord ‘geweld’ vinden we in de bijbel alleen nog terug in relatie tot de zwakke broeder (Lev. 25:43.46.53; Ez. 34:4). Wat dat betreft is er van Egypte niets te verwachten.
De derde stap is dat de zonen meteen bij de geboorte moeten worden gedood.
Voor die fase heeft de koning de hulp nodig van vroedvrouwen. Die krijgen prompt een naam, Sifra en Pua, ‘Schoonheid’ en ‘Make Up’, een contrastrijk verschil met de anonimiteit van de farao. Met deze maatregel valt het licht op de dochters, die hier nog eens expliciet worden genoemd: alle dochters, laat ze léven! (1:22). Het klinkt bijna als een bevel. Daarmee doet de farao uiteindelijk zichzelf de das om. Want uitgerekend de vrouwen zijn verantwoordelijk voor de uitbreiding van Israël. Bovendien nemen in Exodus 1-2 vrouwen de rol van redders op zich. Het zijn er twaalf in getal, zullen we straks zien.

Het geboorteverhaal van Mozes is een verhaal over vrouwen. Er verschijnt in 2:1 wel een man op het toneel, maar die is bijna een noodzakelijk kwaad: de man uit het huis van Levi komt om een Levitische vrouw te trouwen. De Levitische afkomst van Mozes moet (straks) onweersproken zijn. Van de man wordt niet eens gezegd dat hij ‘tot haar kwam’. Háár taken komen wel voor het voetlicht: ze wordt zwanger en baart: een zoon. Daarmee is de familie in de gevarenzone. Natuurlijk kan deze zoon niet verborgen blijven! En de moeder neemt een biezen kistje en besmeert het met asfalt en pek. Tevá staat er in het Hebreeuws. Doodskistje. Hetzelfde woord als voor de ark van Noach wordt gebruikt. Dit doodskistje wordt in het riet gezet. Later zal Israël door de Rietzee trekken en daaruit worden gered. We hebben weer te maken met een ‘miniredding’ die een ‘maxiredding’ voorbereidt.
Drie vrouwen spelen een hoofdrol in dit verhaal. Alle drie blijven ze hier naamloos: de moeder en de zuster van het kind en de dochter van de farao, omgeven door dienaressen, waarbij ze gezamenlijk de reddende engel voor het kind zijn. Het cruciale moment is natuurlijk als het kistje opengaat:
‘Ze zag het kind, het was een jongen, hij huilde, zij kreeg medelijden...’ (2:6).
Daarmee wordt de redding mogelijk. In ‘het is een Hebreeuws kind’ staat het verhaal op scherp. Met ‘Hebreeuws’ en ‘Hebreeër’ worden de Israëlieten door de volken (vaak denigrerend) neergezet. Maar het kind krijgt een kans. Farao gaat nota bene zelf de kosten van de redding en daarmee de opvoeding van Mozes betalen, een element dat straks bij de uittocht terugkeert als de Egyptenaren Israël laten gaan en er zelfs voor betalen (13:35-36). Dan wordt het kind door de dochter van farao als zoon geadopteerd (‘hij werd haar tot zoon’ staat er; het kind is de handelende persoon, 2:10). En ze gaf hem de naam Mozes, ‘ja, zei ze: ik heb hem uit het water getrokken’(2:11). Eindelijk valt er een naam in het verhaal! Mozes betekent niet ‘uit het water getrokken’. Als je de zinspeling in de tekst wilt volgen, zou je moeten zeggen ‘uittrekker’ i.p.v. ‘uitgetrokkene’. Dat uittrekken zal hij doen, n.l. Israël uit de Rietzee trekken. Maar er is meer. Mozes is een Egyptische naam en betekent ‘zoon’. Je vindt het in bijvoorbeeld de naam Ra-moses, ofwel Ramses, ‘zoon van Ra’ (zoon van de zonnegod), Tutmoses, enzovoort. Maar van wie is Mozes nu een zoon? Van een Egyptische god of van Israël en daarmee van de God van Israël? In die keuze ligt de richting van zijn leven.

Als Mozes groot is geworden gaat hij naar zijn broeders (2:11). Meteen is duidelijk is bij wie hij thuishoort. Als een Egyptenaar een Hebreeër, iemand van zijn broeders ziet slaan, gaat het ook met Mozes mis. Hij zag, hij zag, hij zag, lezen we drie keer. Dat ‘zien’ is niet zoiets als waarnemen. Zien is contact, zien betekent: het gaat door je heen. In 2:25 vinden we dat uitgezegd: ‘God zag de Israëlieten en kende hen.’ Als er niemand is die ingrijpt (dat is wat anders dan: als er niemand is die het ziet) slaat hij de Egyptenaar dood. De vraag is natuurlijk of de groot geworden Mozes zich niet misgaat in zijn bevrijding’. ‘Hij moet niet één slaaf bevrijden maar een heel volk. Zover is het nog niet. Op een andere dag zijn er twee Hebreeën aan het vechten. Nu stelt hij een vraag (aan ‘de schoft’ staat er, 2:13):
‘Waarom sla jij je naaste?’
Het antwoord is veelzeggend:
‘Wie heeft jou tot leider en rechter over ons aangesteld?’ (2:14).
Het antwoord is pijnlijk eenvoudig: niemand. Dat moet en zal nog gebeuren, in het volgende hoofdstuk.
Voorlopig is hij nog geen opzichter en moet hij vluchten, omdat de farao hem doden wil. Er zit niets anders op dan te vluchten naar de woestijn, de plek waar hij sinds die dag levenslang zal wonen. Bij de bron ontmoet hij zijn latere bruid, Sippora, een van de zeven dochters van Jetro, de priester van Midjan. Deze meisjes bevrijden hem uit zijn benarde situatie. Twee vroedvrouwen, een moeder en een zus, de dochter van de farao en de zeven dochters van Jetro, twaalf vrouwen in getal, houden hem in leven, zetten hem op de goede weg. Bevrijden hem. Helemaal zoals Jakob Rachel verlost van kwelgeesten onder de herders ( 29:10), ontzet Mozes op zijn beurt deze dochters. En hij trouwt Sippora, krijgt een zoon die een veelzeggende naam draagt: Gersom, ‘een vreemdeling daar’. Mozes is net als Abraham een vreemdeling in een vreemd land. Dat vraagt om een land waar je je thuis kunt voelen en waar je kunt wortelen. Dat vraagt om een God die hoort, gedenkt, ziet en kent (2:25).