Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 32-35 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

DE GEZEGENDE (Genesis 32-35)
De broederstrijd is nog niet voorbij. Jakob is weggevlucht uit Kanaän maar daarmee heeft hij de problemen met zijn bedrogen broer niet opgelost. Nu hij terugkomt, is de eerste vraag hoe die zal reageren. Jakob heeft al een afkoopsom in het hoofd, maar als Esau met een groep van 400 man naar hem onderweg blijkt, slaat de schrik Jakob om het hart. Hij verdeelt zijn bezit in twee groepen: als de ene wordt aangepakt, houdt hij de andere misschien nog over. En er wordt een fors geschenk samengesteld en vooruitgestuurd als een teken van verzoening ( 32:20). Dan steekt hij ’s nachts de grensrivier, de Jabbok over.
Er is sprake van een woordspel. Jabbok – Jakob. Jakob worstelt ’s nachts in de Jabbok. In het Hebreeuws staat voor worstelen het werkwoord ’aboq. Jabbok wordt daarmee zoiets als ‘Worstelrivier’.
Het is een merkwaardige en boeiende scène: Jakob die ’s nachts wordt aangevallen door een duistere macht, in wie hij later God herkent. Het levert een zwaar gevecht op, waarbij de inzet de zegen is:
‘Ik laat je niet gaan, tenzij je me zegent’ (32:26)
Voor de betekenis van de scène moeten we letten op het verband: Jakob heeft tot nu toe zijn bezit met gekonkel en bedrog bij elkaar geschraapt. Nergens is hij recht door zee. Nu hij bij de grens van Kanaän staat, is het de vraag of déze Jakob wel de drager van de zegen kan zijn. Het antwoord is nee. Hij moet eindelijk laten zien wie hij echt is: geen Jakob, ‘hij houdt de hiel vast, hij bedriegt’ maar ‘Israël: hij die strijd met (of: voor) God’.
Bij het gevecht wordt Jakob op het ‘heupgewricht’ geslagen. Dat verwijst naar de heup als een eufemisme voor de geslachtsdelen. Vandaar dat we bijvoorbeeld in Exodus 1:5 lezen ‘de zielen die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen’ (Statenvertaling). Jakob wordt getroffen in zijn voortplanting. Als gezegende is hij niet een ‘verwekker’. Verwekken doen de volken, in overvloed. Israël moet het van de zegen hebben. Zo gaat hij het nieuwe land in: gekwetst. Elke keer zal hij worden herinnerd aan die pijnlijke zegen.

Aan de overkant van de Jabbok komt hem meteen Esau tegemoet. Het ziet er enorm dreigend uit. Jakob verdeelt zijn kinderen zó dat Jozef, de eerstgeborene van Rachel, niet de eerste klappen opvangt. Maar Esau blijkt de broeder! Hij omarmt Jakob: het Hebreeuwse woord dat we hier vinden lijkt ook al op ‘worstelen’: chaboq. Maar deze omknelling blijkt een omarming te zijn. Het pakt goed uit voor Jakob: de broederstrijd is voorbij. We zien in de tekst Jakob deze vorm van broederschap van zich afschudden. Esau hoeft hem zelfs geen dienst te bewijzen door bewakers achter te laten. Esau staat met één been in de volkenwereld en die moet Jakob achter zich laten. Hij gaat naar Sichem, de plek waar vader Abraham ook allereerst een altaar bouwde ( 12:6.7). Hij koopt die plek, zoals Abraham de spelonk van Makpela in Juda kocht. In zuid en noord hebben de aartsvaders nu vaste grond onder de voeten. Het begin is er.
Als we doorlezen merken we dat de auteur de eerste ‘periode Jakob’ afsluit. Hij meldt de dood van Debora ( 35:8), de vrouw die Jozef heeft gevoed; de dood van Rachel en de dood van Isaäk. De dood van Rachel is in die zin bijzonder, dat ze sterft bij de bevalling van haar tweede zoon. Ze roept nog net zijn naam: Ben-Oni: ‘zoon van mijn ongeluk’ maar Jakob noemt hem Ben-jamin, ‘zoon van de rechter(hand)’, gelukskind. Rachel, de beminde vrouw van Jakob, wordt aan de kant van de weg bij Betlehem begraven. Dus niet in de spelonk van Makpela, waar de andere aartsmoeders liggen. Dat plekje is voorbehouden aan haar zus, Lea ( 49:31). Uiteindelijk is niet Rachel, de beminde, de hoofdvrouw maar Lea. En in de competitie tussen de zoon van Lea, Juda, en die van Rachel, Jozef, zal Juda de prioriteit krijgen. Daarover gaat het in de volgende hoofdstukken.

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.