Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 20-22 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

ISAAK: LACHERTJE (Genesis 20-22)
Na de geschiedenis met Lot is de zoon van Abraham en Sara nog steeds niet geboren. En het lijkt er nog niet eens van te komen ook, want in Genesis 20 doet koning Abimelek van Gerar met Sara wat de farao van Egypte eerder in hoofdstuk 12 deed: hij neemt haar in zijn harem op. Ook nu zegt Abraham dat hij haar broer is. Daarmee staat de hele belofte op het spel. Want kort hiervoor is juist herhaald dat Sara de zoon van de belofte zal baren. En zal Abimelek nu de vader zijn?
God grijpt in en zo komt alles toch nog terecht. Wat Abraham van dit avontuur overhoudt, is in elk geval een duizendtal zilverstukken en schapen, runderen, slaven en slavinnen. En het recht om overal in het land te wonen.
Maar hij is en blijft een vreemdeling, een geer in het Hebreeuws. Iemand met gastrecht. Hij is er welkom, dat is alles. Het wonderlijke verhaal sluit af met de mededeling dat alle vrouwen in het huis van Abimelek onvruchtbaar waren in de tijd dat Sara bij hem in de harem zat. Onvruchtbaar met de aartsmoeder…

Daaraan komt nu pas een eind: de Heer bezoekt Sara en Hij doet aan haar zoals Hij heeft gezegd. En Sara wordt zwanger… Zo begint hoofdstuk 21. Abraham lijkt er niet aan te pas te komen. Het verwekte kind is helemaal het idee van God zelf. Abraham kan niet zeggen: ‘Ik heb Isaäk verwekt.’ Isaäk heet ‘de zoon die aan Abraham geboren was.’ Niet: ‘de zoon die hij verwekt had.’ Israël is niet het verwekte volk (verwekken en daarna doodgaan is typisch een klus voor de volken) maar het geschonken volk.
Eindelijk kan de naam die al verschillende keren al dan niet verborgen in de tekst gespeeld heeft, worden uitgeroepen: Isaäk, ‘hij lacht’, ‘lachertje’. En hij wordt besneden op de achtste dag, zoals dat hoort. Ismaël is besneden op een leeftijd waarop de volken hun zonen besnijden, Isaäk op het moment zoals dat bij Israël is voorgeschreven.
Nog één maal klinkt een woordspel met het woordje ‘lachen’ of ‘aan het lachen maken’ in de tekst. In 21:9 lezen we dat die ándere zoon, Ismaël, met Isaäk ‘grapjes maakt’. Of moet je vertalen ‘spotte’? De tekst laat beide vertalingen toe. En deelt daardoor met de lezer een probleem: pest Ismaël Isaäk nu of is het gewoon een leuke grote broer? Het laatste ligt het meest voor de hand want Sara slaat de schrik om het hart: Ismaël en Isaäk kunnen het veel te goed vinden met elkaar. Straks dingen ze beiden naar de erfenis. Daarom moet Ismaël van het toneel verdwijnen. Het is een oud patroon, dat we al kennen uit het begin van de aartsvadergeschiedenis: de wegen moeten uit elkaar gaan: van Abram en zijn familie in Haran, van Abram en Lot, nu van Ismaël en Isaäk en straks van Jakob en Esau. De oudste moet wijken voor de jongste, de grote voor de kleine. Die stijl houdt de God van Israël er nu eenmaal op na. Ismaël is ‘de verwekte’ en Isaäk ‘de geschonkene’.

Maar juist als Ismaël uit het gezichtsveld is verdwenen, klinkt de opdracht om naar de berg Moria te gaan en daar die ene zoon te offeren. Het wereldberoemde en door Rembrandt onnavolgbaar visueel gemaakte verhaal begint gelukkig met de opmerking dat God Abraham beproefde. Daarmee is de angel eruit. In de Hebreeuwse tekst staat bovendien nog ‘de God’ of liever: ‘de godheid’. Dat kan de God van Israël zijn maar dat hoeft niet. Abraham kan in de war gebracht zijn door al die goden in het land, die de door hen opgelegde offers eisen. ‘De Godheid’ zet de God van Israël wat op een afstand.
‘Abraham’ ‘Hier ben ik’ ‘Neem je zoon, je enige, die je liefhebt, Isaäk…’(22:2)
Het klinkt alsof God er voorzichtig mee aankomt. In een joods commentaar bij de tekst reageert Abraham heel assertief:
Abraham: ‘Zoon, welke zoon?’
God: ‘Je enige.’
Abraham: ‘Welke enige? Ik heb er twee?’
God: ‘Die je liefhebt.’
Abraham: ‘Ik heb ze alle twee lief.
God: ‘Isaäk.’
Het verhaal wordt weer zoals eerder in Genesis, bij Abrahams roeping, gespeeld met de woordcombinatie ‘gaan’ en ‘zien’. ‘Ga jíj’ klinkt het weer nadrukkelijk. ‘Naar Moria, “Zichtland” en offer hem daar op een van de bergen die Ik je zal laten zien.’ Als je in een vertaling dat woordspel niet meeneemt, ontgaat de boodschap van het verhaal je grotendeels.
Abraham treft voorbereiding en neemt tot slot zijn zoon mee. Isaäk is steeds ‘de zoon’. Abraham ‘de vader’. In die rollen gaan ze beiden tezamen. Isaäk draagt het hout dat straks hém zal dragen.
Ze gaan en ze zullen zien: God zal zelf voorzien in een offerlam. Zo gaan ze beiden tezamen, klinkt het opnieuw.
Als ze komen op de plek die Abraham al van ver had gezien, bindt Abraham zijn zoon en strekt zijn hand uit. Op het moment suprême komt een stem uit de hemel van de engel van de Heer (nu die intieme naam, JHWH): ‘Strek je hand niet naar de jongen, want ik weet dat je godvrezend bent en mij jouw zoon, je enige, niet onthoudt.’
Weer ziet Abraham: een ram met zijn horen verward in de struiken. Die wordt geofferd in plaats van de zoon. En de plaats krijgt zijn naam: ‘De Heer zal erin voorzien.’ Die plek, de berg Moria, is in de joodse traditie de tempelberg in Jeruzalem, waar de offers aan de Heer worden gebracht.
Na dit bloedstollende moment wordt de belofte van het grote nageslacht in een eigen land hernieuwd en gaat Abraham weer terug. ‘Zo gingen ze tezamen’ lezen we in 22:19. Waarom niet ‘beiden tezamen’? Omdat Isaäk is achtergebleven! Hij ligt nog op het hout want Abraham heeft hem niet losgemaakt…

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.