Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 15-17 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

DE BELOFTE BEPROEFD (Genesis 15-17)
De belofte aan Abram en Sarai betrof een land en een kind. In Genesis 15 is die belofte aan een update toe. Abram ziet het niet meer zitten en heeft zich erbij neergelegd dat zijn huisknecht Eliëzer zijn huis zal voortzetten. De Hebreeuwse tekst is niet helemaal helder, maar de bedoeling is duidelijk: Abram adopteert Eliëzer als erfgenaam. Maar is een erfgenaam ook een zoon? Het verwijt dat Abram aan God doet, is dat die zijn belofte niet heeft waargemaakt. Nu moet iemand uit Damascus in Syrië de stam van Abram op zijn naam schrijven. Damascus… die naam riep bij de joodse lezers van weleer niet de fijnste gevoelens op. Damascus zal staan voor invallen in het noorden. Het is vijandig buurland nummer één. Maar het antwoord van de Heer aan Abram komt hierop neer: ‘Abram, ik heb een plan bedacht en het is aardig dat jij meedenkt, maar mijn plan voer ik uit. Niet het jouwe.’
In het volgende hoofdstuk is het Sarai die de moed opgeeft. Ook zij verwijt dat de Heer niet doet wat hij belooft en ook zij bedenkt een oplossing van het probleem: ze schuift haar slavin Hagar als draagmoeder naar voren. Hagar is een Egyptische. Na de Syriër Eliëzer moet nu de Egyptische Hagar redding bieden. En inderdaad: Abram komt tot haar en ze is meteen zwanger (16:4). Zo gaat dat bij de volken: daar is een verwekking een peulenschil. Bij Israël is het genade. En meteen wordt duidelijk hoe de volken naar Israël kijken. In de ogen van Hagar kijken we mee, want haar meesteres is dadelijk verachtelijk. De onvruchtbare (lees: Israël) krijgt het voor haar kiezen van de kant van de vruchtbare (lees: de volken).
Hagar wordt weggestuurd maar een engel van de Heer stuurt haar terug: ook haar zoon zal in menigte uitbreken (16:10). Hij is immers een zoon van Abram. Maar niet de zoon. Keer op keer komt de bijbelschrijver met dat thema aan. De aartsvaders hebben steeds een vertegenwoordiger van de volken tegenover zich: Abram heeft Lot. Isaak heeft Ismaël. Jakob heeft Esau. En elke keer moet er een scheiding plaatsvinden.

Als het kind van Hagar geboren is en een naam heeft gekregen – Ismaël: ‘God hoort’ – vernieuwt God de belofte aan Abram en Sarai opnieuw, nu in de vorm van een verbond. Abram is dan negenennegentig. ‘Bijna honderd’: de invulling van de belofte komt in zicht. Eerst krijgen hij en Sarai een nieuwe naam: Abram wordt Abraham en Sarai gaat Sara, ‘vorstin’ heten. Ze moet dan ook moeder van koningen van volken worden (17:16). Abraham lacht om deze hernieuwde belofte. Bekender is dat Sara lacht (dat komt in hoofdstuk 18) maar Abraham gaat haar daarin voor. Het Hebreeuwse woord voor ‘hij lacht’ is jitschaq. Daar staat Isaäk, de naam van Abrahams toekomstige zoon. Isaäk, ‘lachertje’. Het is ook een lachertje. Niet alleen dat aan een honderdjarige een kind geboren wordt en dat een negentigjarige nog baart, maar ook het kind zelf zal een lachertje zijn. Abraham schiet in de lach, hij ziet het helemaal niet zitten:
‘Laat Ismaël leven voor uw aangezicht’ (17:18).
Ismaël is dan dertien jaar, aan het begin van de volwassenheid. Maar nee: de Heer houdt vast aan zijn eigen ideeën en hij geeft een zoon aan de aartsvader uit de aartsmoeder. De naam van het kind zal inderdaad Jitschaq, ‘lachertje’ zijn.
En ook hier: de twee zonen worden gescheiden, op voorhand al. Isaäk is het kind van het verbond. Als teken van dat verbond laat Abraham zich besnijden en met zichzelf alle mannelijke leden van de clan. Ismaël is door een onbesnedene verwekt… Isaäk uit de vader van het verbond.