Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 12-13 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

KENNISMAKING MET HET LAND (Genesis 12-13)
‘Abram, ga jíj uit je land, uit je bakermat, uit je vaderhuis, naar het land dat ik je zal laten zien.’
Zo begint Genesis 12. De rest van de familie blijft achter, op Lot na. Neef Lot gaat mee. Hij is een soort vijfde wiel aan de wagen.
Wat we hier en elders in de tekst vinden, heeft steeds dezelfde boodschap: Abram (lees: Israël) moet uit de volken vandaan gaan. Maar dat is een zware weg. Er kleeft nog veel ‘heidendom’ aan Israël. Je blijft zomaar ergens achter, zoals Terach in Haran. Achter de tekst is de pijn voelbaar van latere ervaringen: hoe Juda in ballingschap naar Babel werd gevoerd en na vijftig jaar weer naar huis mocht. Maar hoeveel mensen gingen en hoeveel bleven achter? Het leven in Babel was beter dan het ontredderde bestaan in het verwoeste Juda. En zo kiest Terach voor de groene weiden in het waterrijke noord Syrië. Maar Abram gaat. Met Sarai. Gaan en zien, daar gaat het om. God zal hun het land laten zien. En Hij zal Abram en Sarai tot een groot volk maken. Ze zullen een zegen zijn.
Zo komen ze in Kanaän. ‘De Kanaänieten waren toen in het land’ horen we in 12:6. Daar heb je het al: het land wordt niet leeg opgeleverd. De eerste problemen dienen zich al aan. En het tweede probleem volgt spoedig, in 12:10: er breekt een hongersnood uit in het land. Het land van de belofte wordt het land van de teleurstelling. Er zit niets anders op dan naar Egypte te trekken, de korenschuur van het Nabije Oosten. Egypte: dat is het land waarheen Jozef werd afgevoerd, waarheen de broers, de zonen van Jakob door hongersnood gedwongen, wegtrokken. En die er bleven hangen… Men kwam niet meer uit die volkenwereld vandaan: ‘ik worstel en kom niet meer boven’ tenzij de God van Abram je ervandaan haalt. Dat hele verhaal van de uittocht, van Pesach, vind je hier al in miniatuur. En dat is een veelzeggende manier van vertellen. In een miniverhaal wordt een ‘maxiverhaal’ voorbereid, worden de lijnen uitgezet. Abram en Sarai hebben een goed leven in Egypte, maar daar horen ze niet thuis. Sarai raakt in de harem van de farao. En juist uit haar moet Israël worden gebouwd! Zal de farao de verlangde zoon verwekken? Ondenkbaar is dat. Maar ook deze farao moet met plagen (12:17) op andere gedachten worden gebracht. Gedwongen laat hij Abram en de aartsmoeder gaan.

De eerste en de tweede uittocht zijn een feit: uit Babel en uit Egypte vandaan. Maar hoe nu verder? Want het Beloofde land kan niet eens twee herdersvorsten verdragen. Abram was wel heel rijk en ook Lot – dat klinkt zo secundair – had veel vee. Maar bij elkaar trekt het land het niet. Bovendien wonen de Kanaänieten en nu ook de Perizzieten in het land (13:7). Het gebied wordt steeds voller!
Ze moeten uit elkaar, oom en neef. Lot krijgt de eerste keus. Het gaat hier weer om gaan en zien. Lot slaat zijn ogen op en ziet… hij ziet groene dalen en waterrijke weiden. Hij ziet de Jordaan en neemt Sodom en Gomorra op de koop toe:
‘Hij sloeg zijn tenten op tot bij Sodom…’ (13:12).
Lot ziet wat voor ogen is en kiest op grond daarvan. En dat is nu precies de verkeerde manier van zien. Bij Abram kun je leren wat zien is. Hij kijkt met de ogen van zijn geloof. Hij doorwandelt het land (13:17). Letterlijk staat er: ‘hij gaat heen en weer.’ Alle plekjes bekijkt hij. Dit is zijn land, ook biedt het hem geen welvaart. En hij slaat zijn tenten op Hebron.
Hoe gaat het met Lot? We horen vrijwel meteen dat hij in de problemen komt. Koningen ontketenen een oorlog en Lot wordt gevangen. Koningen… voor het eerst horen we ervan en het is meteen goed mis. Abram brengt driehonderdachttien man op de been om zijn broeder Lot te bevrijden. Nu ontmoet hij ook een ander type koning: Melchisedek, de koning van Salem, die met brood en wijn aankomt. Salem moet een stille verwijzing naar Jeruzalem zijn. Die stad wordt in de eerste vijf boeken van de bijbel niet genoemd. Tegenover het aardse koningschap wordt het ideale koningschap van God vanuit Jeruzalem getekend. En vanuit dat verborgen Jeruzalem wordt de gezegende opnieuw gezegend!