Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 05-09 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

VOOR EN NA DE VLOED (Genesis 5-9)
Het opstellen van een genealogie is een populair werk, het internet staat er vol mee. Maar de geslachtsregisters in de bijbel scoren minder hoog. Begrijpelijk, er zit weinig verhaal aan: ‘hij verwekte X, zonen en dochters en hij stierf...’ Toch zijn die genealogieën voor de bijbelverhalen in Genesis belangrijk. In het eerste bijbelboek gaat het steeds over verwekken. De volken verwekken, alleen die éne verwekt niet: Abram.
Zover is het nog niet. We zijn bij de ‘verwekkingen’ van Adam. ‘Geslachtregister’ schrijven de vertalers. Adam is het beeld van God, en nu Adam gaat verwekken, is zijn productie in zekere zin een afspiegeling van de schepping door God zelf. Na de moord op Abel blijft de mens toch beeld van God! Tien oudvaders vinden we op een rijtje. Nummer zeven is Henoch, die ‘met God wandelt’. En nummer tien is Noach. Op hem loopt de reeks uit.

Noach, de schipper op de zondvloed. Waarom was die zondvloed er eigenlijk? Omdat de mensen zulke vreselijke dingen deden. Maar wát deden ze dan precies verkeerd? In de kinderbijbel wordt dat er meestal niet bij verteld. In de bijbel zelf wel, in een onbekend verhaal waarbij je eerder aan Griekse goden dan aan bijbelse lijnen denkt. In de Griekse mythologie komt het nogal eens voor dat een godheid afdaalt van de Olympus en bij een aardse schone een halfgod verwekt. Om vervolgens weer te maken dat hij wegkomt, want een leven van een god is toch wat geriefelijker dan dat van de mensen. Zoiets is de verklaring van de zondvloed: godenzonen die op aardse meisjes vallen en bij haar kinderen verwekken. Dat zijn dus halfgoden, gedrochten in de ogen bij de bijbelse mens. ‘Geen mannen van naam’ zoals de gebruikelijke vertalingen weergeven. Dat doet je denken aan helden en het zijn juist mislukkelingen. Wat er in feite wordt verteld is een oud verhaal: de mensen zijn helemaal niet tevreden met hun positie als een adam, een aardmensje. Ze dromen van meer, groter, van een god. In Genesis 3 kreeg die mens te horen dat hij geen god was en daar ook niet op berekend was bij de schepping, maar mens, naakt en kwetsbaar. De mens geeft zich niet gauw gewonnen: als je niet een god kunt worden, misschien kun je dan een god trouwen…!
Nee dus. Want schepping betekent de scheiding van hemel en aarde: de hemel hoort bij God, de aarde bij de mensen. En als mensen dat door elkaar gaan halen, wordt het weer net zo’n puinhoop als in het begin. Dat wordt het dan ook, zullen we zien. En om te voorkomen dat alles voor niets is geweest, draagt God de tiende oudvader, Noach, op om een ark te bouwen. Het Hebreeuwse woord dat wij met ‘ark’ vertalen, betekent letterlijk doodskist, en slaat het niet op de mooie oud-Hollandse bootjes die wij dankzij o.a. de kinderbijbels op ons netvlies hebben staan. Ook als je de bijbelse maten die gegeven worden even op een papiertje uittekent, komt er geen botter of Lemster aak uit maar een doodskist. Tot in detail wordt beschreven hoe die ark eruit ziet. Alle aandacht is op die reddingsboot gericht, niet op de ondergang van de aarde. Een drijvende doodskist als een reddingsboot... In een oud joods verhaal piekert Noach er daarom niet over om in die kist te gaan. Hij wordt levend begraven, denkt hij. Niet zo gek: het water is het beeld van de dood en in de kist dobberen de schepselen op de oergolven. Het lijkt erop of we weer terug bij af zijn. De hemel werd in Genesis 1 aangewezen als gewelf om het water bij de aarde weg te houden, maar nu zijn de sluizen weer opengezet.
Intussen drijft de ark rond. Van alle soorten zijn er een mannelijk en een vrouwelijk dier in de ark, behalve van de reine dieren. Daarvan zijn er steeds zeven paar, want straks moet er geofferd worden en als je van de reine dieren steeds maar één stel hebt, houd je geen offerdier voor de toekomst meer over.
Een van die reine dieren is de duif. Als de ark vastloopt op een berg, laat Noach een raaf en een duif uit om te kijken of er al bewoonbaar land is: het droge, een plek waar je kunt leven. De duif komt op een gegeven moment met een vers olijfblad terug. De olijf groeit alweer en zo snel als het kan opent Noach het luik in de ark. De aarde droogt op, het droge wordt zichtbaar. Hij laat de dieren de ark weer uit en brengt meteen een offer op het nieuwe land.
Noach lijkt tussen al die dieren erg op Adam. Ook hij krijgt net als Adam de opdracht mee:
‘Wees vruchtbaar, vermenigvuldig je, vul de aarde’ (9:1)
Hij plant een wijngaard, en zo zijn we opeens midden in de goede aarde, bijna zo goed als de tuin van Eden: de olijfboom en de wijnstok bloeien er. ‘Olie en jonge wijn’ zeggen de latere profeten bijna dromerig, tekenen het door God beloofde land.
Maar Noach ligt na de wijnoogst met een glaasje teveel op naakt in zijn tent. Helemaal Adam: naakt, kwetsbaar. De mens is er na de zondvloed niet beter op geworden.