Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 01 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

BEGINNEN BIJ HET BEGIN (Genesis 1)

In het begin... het moet toch érgens beginnen, het verhaal van God met de mensen. De geschiedenis van hemel en aarde. In het begin schiep God de hemel en de aarde. Dat woordje ‘scheppen’ heeft in de Hebreeuwse bijbel alleen maar God als onderwerp bij zich. God schept. Niet de mensen scheppen. Mensen kunnen iets maken, doen, boetseren, fabriceren. Het echte scheppingswerk komt van de andere kant. Hij schept de hemel en de aarde. Niet wat mensen er later veel van gemaakt hebben: de hemel en de hel. Dat laatste woordpaar komt in de hele bijbel niet voor.
De hemel en de aarde: als je Genesis 1 leest lijkt het alleen maar over de aarde te gaan. De vertelling (je kunt beter zeggen: het lied) gaat immers verder met wat er op de aarde gebeurt: ‘de aarde was woest en leeg...’. Maar je kunt de hemel niet van de aarde losmaken. Lees maar mee:
Het is een chaos. Tohoewavohoe klinkt het donker in het Hebreeuws. Tot zover is nog een puinhoop, totdat de woorden klinken:
‘God zei: Er moet licht zijn’ (1:3).
Daar begint de eigenlijke schepping. Met ‘God zei’. We zijn er omdat er een woord van de overkant geklonken heeft.
Scheppen is scheiden, lezen we vervolgens meteen. Het licht en het donker worden gescheiden. En dan het water. Dat krijgt zijn vaste plek aangewezen, een plaats die wij niet zo gauw zouden bedenken: achter een gewelf dat de naam ‘hemel’ meekrijgt. De hemel is in Genesis 1 niet zoiets als ‘hoger dan de blauwe luchten’ maar een stevig dak, waarachter het oerwater gestopt wordt. Zo ontstaat er een enorme schelp in de oervloed. Water, water en nog eens water. En midden in dat water een ‘luchtbel’ om te leven. De hemel is de garantie voor de aarde. Zonder hemel geen aarde. En die hemel hoort bij God, daar woont hij. Hij gaat boven wonen, de mensen gunt hij de parterre.
De volgende stap is opnieuw een scheiding: onder het hemelgewelf is alles nog water wat de klok slaat. Dat wordt op zijn beurt gescheiden en nu komt ‘het droge’ tevoorschijn. Het droge, daar moeten we zijn. Daar kun je leven. Het water, de zee is het beeld van de dood. Het droge is een schuilplaats, midden in de ravage.
Uitgangspunt van het scheppingsverhaal is niet het goede leven. Dat is het resultaat. Vertrekpunt is de nacht, de chaos, de dood. Dat is een vanzelfsprekendheid. Dat wij bestaan is een wonder, dat is omdat God gesproken heeft. Te beginnen met ‘Er moet licht zijn’.
Daarbij blijft het gelukkig niet. Nu het oerwater tot ‘zee’ is terugverwezen en de aarde uit de zee oprijst, krijgt het land een groene kleur. Je vindt de droom van de mens uit Kanaän daarin terug. Zijn bedje wordt er gespreid.
Op de vierde scheppingsdag is de hemel aan de beurt. Er worden lichten in het gewelf aangebracht, de zon en de maan en de sterren. De zon, de hemelkoningin voor de volken van Israël rondom en de grote baas van Egypte, die wordt hier een ‘licht’ genoemd. Alsof God een spotje in zijn plafond draait omdat hij zo’n slecht zicht heeft. En de maan, een hoofdgod van Babylonië, met zijn ziekmakende uitstraling net zo: gedegradeerd tot een nachtlampje. De sterren, gewend de dienst uit te maken, worden op hun plek gezet. Het staat allemaal niet in de sterren geschreven. Het gesternte is om te leren klokkijken en een mooi navigatiesysteem in de woestijn. Meer niet.
Dan komt er nieuw leven in de brouwerij: de zeedieren zien het licht, of liever: de monsters van het oosterse Loch Ness, waarover de zeelieden elkaar angstaanjagende verhalen vertelden, maar ook alle krioelende en kriebelende waterbeestjes. En de ongrijpbare vogels aan de hemel. Ze worden ‘naar hun aard’ gemaakt. Ze krijgen een zegen en een opdracht mee: ‘Wees vruchtbaar, word talrijk’. De aarde moet vol worden.
De auteur heeft het hele toneel van hemel en aarde ingevuld, nu het land zelf nog. We zijn dan op de zesde scheppingsdag. Eerst de dieren: huisdieren en wilde dieren. Weer horen we: ‘naar hun aard’. Als laatste dieren worden genoemd:
‘alles wat op de aardbodem kruipt, naar zijn aard’ (1:25).
Niet zonder reden: het eerste dier dat straks ter sprake komt, is een slang!
Nu de mens nog. Dat is de laatste stap in het verhaal. Het is opgebouwd van beneden naar boven, waarbij de mens de top van de piramide vormt. Eerder lazen we: ‘God zei, God zei..’ Nu lijkt het hem opeens moeite te kosten: ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis...’. Dan klinkt drie keer het ‘zware’ woord scheppen in 1:27:
‘God schiep de mens naar zijn beeld, naar Gods beeld schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen.’
Onnavolgbaar, dat scheppen. Nu niet, zoals we steeds hoorden ‘naar zijn aard’ maar ‘naar zijn beeld’. ‘Naar zijn aard’ betekent: het beestje heeft nu eenmaal zijn karakter en daar kan hij verder niets aan doen. Een koe loeit en veel meer komt er ook niet uit. En een leeuw eet nu eenmaal geen stro. Maar een mens is ‘beeld van God’. Die moet geen beeld van God maken, maar een beeld wezen. Wat betekent dat? Van God weten we na twintig, dertig verzen in elk geval dat hij een schepper is. Die klus krijgt de mens te klaren: geen schipper naast God maar schepper naast God.
Daarmee is de zesde dag vol. Vijf keer hoorden we: God zag dat het goed was. Nu klinkt: ‘God zag alles wat hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.’ Niet alleen de mens is zeer goed. Alles overziende is het zeer goed.
We missen nog de zevende dag, als God rust: de sabbat. De hemel en de aarde zijn niet in zes maar in zeven dagen gemaakt. Heeft God op de zevende dag dan nog wat gedaan? Gerust, en dat is ook een prestatie als scheppen je in het bloed zit. ‘En hij zegende de rustdag’, voor de derde keer horen we van een zegen.
Waarvan we nu niets meer vernemen, is het vaste refrein: ‘Het werd avond, het werd morgen.’ Er kwam geen eind meer aan die sabbat.