Joods-Christelijke Dialoog

Numeri 11: 24-29

Zondag 30 september 2018

Een intermezzo: twee lievelingen: Eldad en Medad

Door Piet van Midden

Met een zootje ongeregeld is het allemaal begonnen. In Numeri 11 althans. We lezen in 11:4 dat de ’asafsoef het helemaal gehad had met de ontberingen tijdens de woestijnreis. ’asafsoef is een hapax legomenon, een eenmalig voorkomend woord in de (hier) tekst van de BH. la’asof is ‘verzamelen’, samenraapsel dus. Negatief tot op het bot. Het gemopper van de samenraapsel mist zijn effect niet: Israël gaat er in mee, en Mozes heeft er zijn handen vol aan. Je hebt maar een paar mensen nodig om de boel te verzieken. Je hebt gelukkig ook maar een paar mensen nodig die out of the box denken en mensen ten goede keren. We zullen het straks zien. Mozes lijkt de wanhoop nabij: kun je een wonderbare spijziging voor dit immense volk organiseren? De bio-industrie schiet zelfs te kort. Maar JHWH vraagt retorisch: ‘Zou de jad, de hand, de capaciteit van JHWH te kort zijn?’

Mozes komt naar buiten, uit de tent van de samenkomst. Niet het gewone wajjavo’ , ‘hij kwam’ maar wajjeeṣee, ‘hij ging uit’, als was het een plechtig gebeuren. Dat liet hij dan ook achter zich: hij was in discussie met JHWH en komt nu in de sfeer van de dagelijkse beslommeringen in het legerkamp. Zoals hij afdaalde van de Horeb en het volk verslag deed. Nu vergadert Mozes (daar heb je dat werkwoord ‘verzamelen’, ’asaf weer) zeventig mannen uit de oudsten, degenen die met gezag kunnen spreken. De zeventig mannen worden sevivot ha’óhel gezet: in rijen rondom de tent. Nu daalt JHWH neer: jarad, larèdet, afdalen, is niet alleen van boven naar beneden gaan, maar vooral ook: van een hoog in aanzien staande plek naar de gewone wereld. Je daalt af als je de tempel verlaat, ook al beklim je de Olijfberg. In een wolk: we zijn weer helemaal in de sfeer van de openbaring op de Sinai, waar JHWH verschijnt in een wolk, waarin Hij zich verhult en waarmee Hij ons beschermt. Want wie kan God zien en leven? We kunnen niet eens in de zon kijken.

Het wordt gevoelig beschreven: hoe JHWH een deel van de ruach die op hem, op Mozes dus, was en dat uitdeelde aan de zeventig. JHWH haalt het niet bij Mozes weg en vermindert het dus bij hem. Integendeel: aan de oudsten wordt duidelijk hoe overvloedig de geest van JHWH op Mozes is. Mozes verliest geen gezag maar wint juist. Die zeventig ingewijden zijn de tegenspelers van het zootje ongeregeld, het ’asafsoef waarmee het allemaal begon. Ze profeteren. Ja, wat wil je: ze zien en horen voor het eerst met de ogen van Mozes. Ze profeteren in de legerplaats. Wat ze zeggen, staat niet opgeschreven, maar dat het gaat om perspectief in deze woestijn, om toekomst, is gezien het verband wel duidelijk. De ’asafsoef wil terug naar Egypte. Deze zeventig willen vooruit. Daarna wordt het stil.

Dan blijkt dat er twee – je zou bijna zeggen: dissidente – oudsten zijn die kennelijk niet in de kring rondom de tabernakel hebben gestaan: Eldad en Medad. Hun namen zijn sprekend. Het betekenisdragende element dad/dod is opvallend: geliefde. Bij Eldad vind je zelfs een theofoor element ’el: God. Gods lieveling. Waarom ze niet in de kring stonden, krijgen we niet te lezen. Maar van de uitdeling van de ruach hebben ze niets gemist. Sommigen tellen deze twee bij de zeventig op. Dan heb je de twee en zeventig. Het zij zo. Waarom het gaat: deze twee profeteren in het legerkamp en dat wordt niet door iedereen op prijs gesteld. Het is alsof ze de autoriteit van Mozes hebben overgenomen, gestolen, in plaats daarvan een deel te hebben ontvangen. Maar schijn bedriegt. Als Jozua, die hier als mešareet, assistent, wordt gekwalificeerd, de twee het zwijgen wil opleggen, krijgt hij van Mozes een lastige vraag: Wil jij voor mij ‘ijveren’. In het Hebreeuws staat een vorm van qana’: na-ijverig zijn, jaloers zijn. Het heeft iets hartstochtelijks. Maakt het je jaloers, Jozua? Moet ik deze hartstocht met een andere hartstocht bestrijden? Hier spreekt de grote man van Israël, die zo groot is dat hij weer gewoon kan zijn, die zoveel heeft dat hij aan Eldad en Medad de ruach van JHWH gunt. En dan: ‘Wie zal het hele volk van JHWH tot profeten maken! Ja, JHWH zal zijn ruach op hen stellen / geven.

Voorlopig is het volk nog niet aan het profeteren. Maar het antigeluid van het zootje ongeregeld wordt ook niet meer gehoord. Mozes trekt zich met zijn zeventig oudsten terug. En Eldad en Medad? We komen ze in de BH niet meer tegen. De tekst gaat verder: weruach nasa‘. Niet de ruach van JHWH of Mozes, maar gewoon: de wind stak op. Een talig grapje.

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.