Joods-Christelijke Dialoog

Deuteronomium 13: 2-6

Zondag 23 september 2018

Een profeet die verleidt

door Tineke de Lange


‘Dat willen wij ook!’ Een koning naar de mode van de tijd, met een imposante hofhouding en dito leger, goden die je wensen en verlangens vervullen… In de Tenach kunnen we lezen hoe Mozes en de profeten na hem er hun handen vol aan hebben het volk ervan te overtuigen dat dát niet de weg van Israël is. Voortdurend dreigt het volk toe te geven aan de verleiding te zijn als de buren en de Eeuwige, de God van Israël, de rug toe te keren. Die verleiding komt van niet alleen van buitenaf, verleiding en verleiders zijn ook te vinden binnen Israël zelf. Daarover gaat de perikoop van vandaag.

Deuteronomium 13: 2-6 volgt op een passage waarin het volk gewaarschuwd wordt niet nieuwsgierig te zijn naar de dienst van de andere volkeren aan hun goden. De waarschuwing loopt uit in een categorisch verbod (12: 30): Doe niet zo! Immers, de volken hebben voor hun goden alles gedaan wat de God van Israël een gruwel is en zelfs hun kinderen voor hun goden als brandoffer gebracht (12: 31). Tegenover het negatieve gebod in 12: 31 om zo niet te doen (lo-ta’aseh ken) vinden we in 13: 1 het positieve gebod om zich aan ‘heel het woord’ van de Eeuwige God houden en hiernaar te handelen (tisjmeru la’asot). Aan dit woord mag, net als in Deuteronomium 4: 2, niets toegevoegd worden, noch ervan weggehaald. Het is immers het woord van God.

Na deze waarschuwing tegen de afgodendienst in zijn algemeenheid volgen waarschuwingen tegen enkele specifieke verleidingen. De perikoop van vandaag betreft de verleiding door een profeet of een ‘dromer’. Het onderscheid tussen beiden is moeilijk te maken, profetie en droom liggen in elkaars verlengde: zie voor de droom als medium van profetie bijvoorbeeld Num. 12: 6 en Joel 3: 1; in negatieve zin Jer. 23: 25-28. Anders dan in Deuteronomium 18 gaat het in Deuteronomium 13 niet om een beschrijving van het profetenambt per se en de criteria voor de betrouwbaarheid van de profeet. Het accent ligt op de profeet als verleider en op de manier waarop hij zijn gelegitimeerde profetische gaven kan misbruiken.

De profeet of dromer is iemand die handelt in het midden van zijn eigen groep (13: 2), hij is om zo te zeggen ‘eigen’. De middelen die hij als profeet aanwendt zijn eveneens vertrouwd: hij kan een ‘teken’ (Hebr.: ‘ot); stellen (vgl. Ex. 4: 9; 1 Sam. 2: 34; 2 Kon. 19: 29; Jes. 7: 11.14; 8: 18; Jer. 23: 20) of een wonderdaad (mofet; vgl. Ex. 4: 21; 1 Kon. 13: 3.5; Jes. 8: 18; Jer. 23: 20). Als bovendien het teken of wonder dat hij gesteld heeft uitkomt, lijkt zijn betrouwbaarheid als profeet van de Eeuwige aangetoond. De tekens en wonderen die zijn gezag legitimeren vormen hier echter de opmaat voor de oproep andere goden achterna te gaan en hen te dienen (13: 3). Hiermee gaat de profeet/dromer in tegen het gebod in Deuteronomium 6: 14: ’Ga geen andere goden achterna, de goden van de volkeren om u heen.’ Die andere goden zijn goden die ‘jullie niet gekend hebben’ (13: 3), goden met wie Israël niets te maken heeft en met wie het geen relatie heeft. Op de achtergrond speelt uiteraard het beeld van de God die het volk wel kent – de God van zijn voorouders al vertrouwd waren, de God die het volk uit Egypte heeft bevrijd (Deuteronomium 4: 37; vgl. 11: 28 en 28: 64); later in de perikoop komt die bevrijding expliciet ter sprake.

‘Luister niet naar de woorden van die profeet of de dromen van die dromer!’ roept Mozes (13: 4). Dit verbod staat tegenover de eerdere oproep om te luisteren naar ‘heel het woord’ dat Mozes het volk geboden heeft. Het optreden van de verleider-profeet wordt verklaard als een beproeving door God, die wil testen of Israël zich houdt aan het gebod Hem lief te hebben ‘met heel uw hart en heel uw ziel’ (Deuteronomium 6: 5; vgl. 8: 2.16). Wat moet Israël dan wel doen? Op de opdracht niet te luisteren naar de verleider-profeet volgen zes daarmee contrasterende geboden (13: 5): de Eeuwige achternagaan; hem vrezen; zijn geboden onderhouden; luisteren naar zijn stem; hem dienen; je aan hem hechten. Samen vormen ze een zevenslag, zoals we ook elders in de Tenach aantreffen; zie bijvoorbeeld de zeven woorden voor bevrijding in Ex. 6: 6-7. De zeven opdrachten in Deuteronomium 13: 4-5 zijn samen te vatten als de grote opdracht aan het volk en het thema bij uitstek van het boek Deuteronomium: trouw blijven aan één God, de Eeuwige, de God van Israël, en aan zijn geboden.
De profeet die het volk verleidt moet ter dood gebracht worden (13: 6). Dat is een krasse maatregel, maar vanuit de deuteronomistische optiek staat er veel op het spel. De profeet heeft zich schuldig gemaakt aan aanzetten tot afvalligheid of rebellie (sarah, vgl. Deuteronomium 19: 16, Jes. 1: 5; 59: 13; Jer. 28: 16 en 29: 32) tegen de Eeuwige. Deze beschuldiging wordt aan het eind van vers 6 in andere bewoordingen herhaald, namelijk als het verleiden (ndh; zie ook vers 11 en 14) van het volk. Tussen beide beschuldigingen vinden de beschrijving van de Eeuwige als God van de bevrijding. Bevrijding is het kenmerk van de God van Israël en dat wat hem onderscheidt van andere goden. Hoe belangrijk deze karakterisering is valt af te lezen aan het gebruik van het parallellisme ‘die u heeft weggehaald uit Egypte’/ ‘en u heeft bevrijd/losgekocht uit het slavenhuis’. Door zo de nadruk te leggen op bevrijding wordt tegelijk duidelijk hoe ernstig de zaak is waarvan de profeet c.q. dromer beschuldigd wordt. Hij probeert immers te bewerkstelligen dat het volk zich afkeert van de God die het bevrijd heeft uit het slavenhuis (bet ‘abadim) om dienstbaar te worden (‘bd) aan goden die aan Israëls verlossing part noch deelgehad hebben. Zo komt het slavenhuis opnieuw in zicht en wordt slavernij opnieuw realiteit.

In onze tekst klinkt, zoals op zoveel plaatsen in Deuteronomium, de ervaring van de ballingschap door. Volgens de theologie van de deuteronomist zijn de ontrouw aan de Eeuwige, de God en bevrijder van Israël, en de dienst aan afgoden de oorzaak geweest van de ondergang van Israël en Juda. ‘Dat willen wij ook!’ is een heilloze weg gebleken. Een weg die Israël, zo wordt de deuteronomist niet moe te verkondigen, nooit meer mag volgen.


Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.