Joods-Christelijke Dialoog

Deuteronomium 26: 5-11

Zondag 3 juni 2018

Overdenkingen bij Deuteronomum 26:5-11

door Leo Mock

Deze passage opent met de wat raadselachtige woorden ‘Arami over avi’- dat vertaald kan worden als ‘een zwervende Arameeër was mijn (voor)vader’ [NBG 1951] of ‘een arme Arameeër was mijn voorvader’ (Ibn Ezra). Over welke vader gaat het eigenlijk? Vader Abraham volgens Rasjbam (Frankrijk, 12e eeuw) die uit zijn vaderland trok op weg naar een land dat God hem zou wijzen, en zoals Abraham zelf later zou zeggen (Gen. 20:13): “Toen God mij uit mijns vaders huis liet omzwerven…” (NBG 1951). De meeste andere verklaarders zien hier echter Jakob in die ook moest rondtrekken: van Israël naar Aram Naharajim, en later weer van Israël naar Egypte. Volgens deze laatste betekenis moeten de openingswoorden gelezen woorden als: “de Arameeër wilde mijn vader [Jakob] ten gronde richten”, dat op Laban zou slaan (Rasji). Wat volgt is een kort verslag van hoe Jakob en zijn familie met 70 mensen naar Egypte trokken, daar tot een groot volk worden, tot slaven gemaakt worden en uiteindelijk bevrijd worden door God. Om vervolgens het land Israël in bezit te nemen onder Jozua.
We mogen hier de context van de passage niet vergeten: de eerstelingen die de landbouwer naar de Tempel moet brengen en aanbiedt aan de priester. De vruchten zijn voor de boer het fysieke bewijs van Gods beloften aan de voorvaderen. ‘Hier, kijk dan!’: “En nu, zie, ik breng de eerstelingen van de vruchten van het land, dat U, Eeuwige mij gegeven hebt. U zult ze neerzetten voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God; u zult u voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God, neerbuigen” (v. 11 naar NBG). Het is het individuele hoogtepunt van de geschiedenis van Israël. Een successtory en heeft niets in zich van het verhaal van ballingschap zoals dat later verteld zal worden als het roemrijke verleden onbereikbaar lijkt – zelfs in gedachten.
Dan krijgt de dwalende aartsvaders iets omineus – een voorafbeelding van het dwalende Israël dat moeite heeft haar bestemming in de geschiedenis te vinden en haar verhaal te vertellen, zoals ooit de boer dat wél kon. Dan wordt dit stukje tekst een bewijs – zoals dat in de hagada gebeurt – voor de voortdurende precaire situatie van Israël in ballingschap te midden van vijandige volkeren. Een toestand waar alleen de Messias een einde aan kan maken. Dit is echter een lezing die mij minder aantrekt.
Ook een andere wat minder negatieve lezing is mogelijk door de verbinding met Sjawoe’ot het Joodse Pinksteren. In de rabbijnse teksten lezen we hoe juist vanaf het Wekenfeest de eerstelingen (bikoeriem) aan God kunnen worden aangeboden. Sjawoe’ot is immers bij de rabbijnen steeds minder een agrarisch feest, maar veel meer een spiritueel feest: het feest van de wetgeving. Door de verbinding met Sjawoe’ot met die eerstelingen willen de rabbijnen misschien uitdrukken dat we door trouw te zijn aan de Tora, hoewel misschien nog steeds in ballingschap, in ieder geval het verhaal weer kunnen vertellen. We krijgen voor even een spiritueel thuisland waarin we kunnen denken aan betere tijden waarin we de vruchten plukken van onze spirituele inspanningen. Zoals de boer ooit heel blij was met de eerste vruchten van zijn fysieke inspanningen.