Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 45: 15-19

Zondag 8 april 2018

door Hans Schravesande

Deze tekst bevat theologisch inhoudrijke verzen. Op twee motieven daaruit gaan we wat uitvoeriger in. Het zijn woorden die ook buiten de context van dit hoofdstuk in de actualiteit kunnen opduiken, en daarom bij de verkondiging interesse kunnen wekken: de ‘verborgenheid van God’ (vs. 15) en ‘niet als een chaos schiep hij de aarde, maar om te bewonen’ (vs. 18). Het eerste motief duikt vooral op in het nadenken over ‘het gelaat van God na Auschwitz’, het tweede in actuele discussies over ecologie en klimaatverandering.
Daarbij moeten we bedenken dat deze tekst een universele omlijsting heeft. Hoofdstuk 45 begint met de rol van de Perzische koning Cyrus in de heilsgeschiedenis van Israël, en gaat vanaf vers 20 verder met een beschrijving van wat deze redding van Israël betekent voor de volken, tot aan de einden der aarde (vs. 22).
‘Gods verbergen’. Het is in betekenis en draagwijdte nauw verbonden met het veel meer voorkomende zwijgen van God en de daaruit voortkomende stilte. Het is de vraag of het meer is dan het visuele ekwivalent van het auditieve. In de (receptie)geschiedenis lijkt deze tekst toch een eigen werking te hebben gekregen. Zo schrijft André Neher, die hoogleraar Judaïca was in Frankrijk en Israël: ‘Deze formule van de verborgen God zou later een universele toepassing krijgen, bijna altijd kosmisch en mystiek, in al de religieuze filosofieën die voortkwamen uit de bijbel of er door geïnspireerd werden. Maar in de bijbel zelf had de uitdrukking een ethische en historische betekenis’. De uitdrukking heeft in Jesaja een plaats in de geschiedenis van de dialoog tussen God en mens, en bevindt zich op grote afstand van een ‘negatieve theologie’ of ‘God is dood’ theologie.
De verborgenheid kan vanuit de geschiedenis van het optreden van Cyrus heel contextueel geduid worden. Wie van het Joodse volk had kunnen verwachten dat hun bevrijding langs deze ‘heidense’ weg van Cyrus ‘messiaans’(hij wordt ‘gezalfde’ genoemd) zou plaats vinden? De bevrijding die in vs. 15 paradoxaal direct na de verborgenheid genoemd wordt, lijkt voor zowel Jood als heiden een complete verassing. God wordt voor beiden zichtbaar in het gebeuren. Maar uit niets van het voorgaande was dat af te leiden. Integendeel. Vanuit dit perspectief gezien is de exegetisch omstreden vraag wie er in vs. 15 aan het woord is van minder belang. Het kunnen de volken of de profeet zijn. Maar beiden zijn evenzeer verrast. (Zie voor de rol van de volken vs. 14: ‘…ze buigen voor je en belijden: ‘bij u alleen is God, er is geen andere God, niet één’). Zo is deze tekst over de verborgenheid voor alle volken een aansporing om op zijn minst uiterst voorzichtig om te gaan met actuele duidingen van de geschiedenis in relatie tot God. Pas vanuit de bevrijding kan er achteraf over gesproken worden. En ook dan nog kunnen religieuze duidingen legitiem verschillen.
De verborgenheid vindt plaats in de relatie tussen God en mens. Meestal individueel beleefd, zoals in de Psalmen, soms ook collectief in de geschiedenis. Van de kant van de mens kunnen zijn zonden aanleiding geven tot Gods verborgenheid. Soms blijft het een raadsel (zie bijv. Jes. 8: 17; 40:27 en 54:8). Maar omdat het een verborgenheid in de geschiedenis is, is het in deze teksten altijd verbonden met hoop op redding en bevrijding. In de ervaring van verborgenheid worden geloof en hoop getest. En de raadselachtigheid en verborgenheid gaan in Jes. 45 nog verder als we in vs. 7 lezen dat Hij het is die ’het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept’. Deze tekst kan polemisch tegen het absolute dualisme van goed en kwaad gericht zijn, zoals in de Perzische godsdienst. Voor Israël gaat het kwaad echter niet buiten God om. Maar het is een tekst die voor moderne gelovigen moeilijk te verteren is, als het raadsel van Gods verborgen omgang (bedoelingen durven wij al nauwelijks te zeggen) met het kwade.
De verborgenheid in Jes. 45 kan onderscheiden worden van de verborgenheid als omhulling, die per definitie eigen is aan de God van Israël, die zich hult in diepe duisternis en een wolkkolom, zoals bij de uittocht. Zo wordt een grens gesteld aan alle menselijke beeldvorming van God. God verbergt zich, maar hij spreekt niet in het verborgene (vs. 16), hij orakelt niet vanuit een doodsmacht en chaosmacht die de schepping bedreigt (vgl. Jes. 8:17 met Jes. 8:19).
Orde in de chaos, orde in gevecht met de chaos als scheppingsgebeuren: bij alle verborgenheid blijven de stevigheid van de schepping en de zekerheid van het verbond overeind. Schepping als begin en schepping als doorgaande strijd tegen de chaosmachten: beide tradities vinden we in de bijbel. Van Gods kant is er de verzekering dat hij die orde in stand wil houden. Met het Noach verhaal en Psalm 24 mogen wij dat ook uitbreiden naar de niet menselijke schepping (zie in dit verband ook Jes. 54:8 over de verborgenheid en vs. 9 over Noach). In de verbondenheid van hemel en aarde gaat het om vrijheid en gerechtigheid, wereldwijd (Jes. 45:8), waarin het aandeel van de mens niet over het hoofd gezien mag worden.
Er is de verzekering van Godswege van zijn trouw aan het verbond: maar hoe verhoudt die zich tot het ontrouwe handelen van de mens? Hoe als niet God, maar wij als mensen door klimaatverandering een zondvloed oproepen? De verborgenheid van God roept in onze tijd nieuwe vragen op. Dat gold voor het zwijgen van God in Auschwitz, als een nieuwe en ongehoorde dimensie van het zwijgen. Het geldt ook voor nieuwe chaosdreigingen. Hoe open en vragend kan en mag onze reactie hierop in de verkondiging zijn?
Voor wie, ook voor kinderen en jongeren, een introducerend verhaal zoekt, kan de volgende Chassidische vertelling bruikbaar zijn:
Verstoppertje spelen
’Rabbi Baruchs kleinzoon Jechiël speelde eens met een andere jongen verstoppertje. Hij verstopte zich goed en wachtte tot zijn vriendje hem opzocht. Toen hij lang gewacht had, kwam hij uit zijn schuilplaats; maar de ander was nergens te zien. Nu bemerkte Jechiël dat deze van het begin af niet naar hem had gezocht. Daarover barstte hij in tranen uit, kwam huilend de kamer van zijn grootvader binnengehold en beklaagde zich over zijn slechte speelkameraadje. Toen stroomden rabbi Baruch de tranen uit de ogen en hij zei: ‘Zo spreekt God ook: Ik verstop mij, maar niemand wil mij zoeken’. Martin Buber ‘Chassidische vertellingen’, p.133.
Het citaat van Neher is uit zijn artikel ‘Silence’ in de belangwekkende bundel ‘Contemporary Jewish Religious Thought. Original essays on critical concepts, movements, and beliefs’. Edited by Arthur A. Cohen and Paul Mendes-Flohr. New York, London 1987. Zie ook van Neher ‘De ballingschap van het woord. Van de stilte in de Bijbel tot de stilte van Auschwitz’, Baarn 1992.