Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 02: 4a-24 (Dodo van Uden)

Zondag 1 april 2018. Eerste zondag van Pasen. 

Man en vrouw


door Dodo van Uden

1) Ezer – hulpje of helper?
Volgens Gen. 2:18 maakt de Eeuwige voor de mens “een ezer kenegdo”. Deze woorden worden heel verschillend vertaald. Een kleine greep:
Statenvertaling: Een hulpe die als tegenover hem zij
NBG 1951: een hulp die bij hem past
NBV: een helper die bij hem past
Naardense Bijbel: een hulp als zijn tegenover
Buber/Rosenzweig: eine Hilfe, ihm Gegenpart
ArtScroll Tanach Series: a helper corresponding to him

Een vertaling als die van de NBG 1951 “een hulp die bij hem past” zet, naar mijn ervaring, mensen op het verkeerde been. Het klinkt alsof de vrouw bedoeld is als een soort “hulpje” van de man, huishoudelijk of anderszins. Maar het Hebreeuwse woord ezer heeft een heel andere gevoelswaarde. Op veruit de meeste plaatsen waar het voorkomt, wordt het gebruikt in verband met God. Eén voorbeeld:

Onze ziel wacht op de Eeuwige,
Hij is onze ezer en ons schild. (Psalm 33:20)
(Zie bijv. ook Psalm 121:1-2; 124:8; Exodus 18:4)

Een ezer is niet een “hulpje”, maar een helper uit de nood, iemand die je op je voeten zet en het je mogelijk maakt te leven.

2) Kenegdo – als tegenover hem
Wat de mens volgens het scheppingsverhaal nodig heeft is niet een helper zonder meer, maar een helper kenegdo (letterlijk: als tegenover hem). Twee klassieke joodse commentaren op dit woord. De eerste is van de middeleeuwse commentator Sforno:

'Een helper als tegenover hem' – [d.w.z.] een helper die aan hem gelijk is in beeld en gelijkenis [...] En waarom wordt [om dat uit te drukken] het woord 'tegenover' gebruikt? Stel je legt iets in een weeg¬schaal terwijl op de tegenoverliggende schaal al iets anders ligt; wanneer de twee voorwerpen niet even zwaar zijn, gaat de één omhoog en de ander omlaag, maar wanneer ze wel even zwaar zijn, staan ze tegenover elkaar, op één lijn. [Sforno op Gen 2,18]

Volgens deze verklaring heeft het woord “tegenover” de klank van: even zwaar wegend. Niet een “hulp die bij hem past”, maar een “gelijkwaardige partner”.
Interessant is dat Sforno niet met zoveel woorden over de man-vrouwrelatie spreekt. Dat is anders in het tweede commentaar, uit de Talmoed:

Rabbi Eleazar zei: Wat betekent 'Ik maak hem een helper als tegenover hem'? Als hij waardig is, dan is zij zijn hel¬per. Als hij niet waardig is, dan is zij 'als tegenover hem' [d.w.z. zijn tegenstander]. [Jevamot 63a]

In deze verklaring weerspiegelt zich de realiteit van de man-vrouw-relatie. Wanneer de relatie werkt, zijn man en vrouw elkaars 'helpers', elkaars partners bij het vervullen van hun opdracht beeld Gods te zijn. Maar wanneer de relatie stokt, komen zij tegenover elkaar te staan en breken elkaar af. En zo klinkt in de woorden 'een helper als tegenover hem' niet alleen een visie op relatie door, maar ook een opdracht: Elkaar waardig te zijn.

Een vergelijkbare gedachte wordt verwoord in een uitleg van de woorden man (iesj, geschreven met de letters alef, joed, sjien) en vrouw (isja, geschreven met de letters alef, sjien, hee). Een midrasj zegt daarover:

Wat deed de Heilige-gezegend-zij-Hij? Hij gaf Zijn naam tussen hen: JH (joed, hee). Als zij in Mijn wegen gaan en Mijn geboden houden, dan is Mijn naam tussen hen gegeven en redt hen van alle benauwdheid; en als [zij dat] niet [doen], dan neem Ik Mijn naam van tussen hen weg en worden zij vuur en vuur. (Pirkee deRabbi Eliëzer 12)

De Godsnaam (joed, hee) is tussen iesj en isja verdeeld: elk heeft er één letter van. En als je de Godsnaam uit iesj en isja weghaalt, hou je tweemaal de letters alef en sjien over: eesj = vuur.

3) Tsela – rib of zijde
Gen. 2:21-22 vertelt dat God één van de tselaot van de mens nam en die tsela bouwde tot een vrouw. Traditioneel wordt tsela opgevat als “rib”. We vinden deze opvatting ook al in de rabbijnse literatuur. Zo zegt de Targoem Jonatan (een Aramese vertaling van de Tora uit de 7e/8e eeuw):

Hij nam één van zijn tselaot,
het was de dertiende tsela aan de rechterkant.

Maar er is ook een andere opvatting. Want Gen 2:21-22 is de enige plaats in Tenach waar tsela “rib” betekent. Verder komt het met name voor in de beschrijving van de tabernakel (Ex. 25-27 en 36-38) en de tempel (1 Kon. 6 en Ezechiël 41). Bijv. Ex 25:12:

Men moet [in de tabernakel] een ark maken van acaciahout ...
Je moet er vier gouden ringen voor gieten
en deze bevestigen boven zijn vier voetstukken,
en wel twee ringen aan de ene tsela
en twee ringen aan de andere tsela (Ex. 25:12).

Tsela betekent hier dus “zijde”, “zijkant” (zie ook 2 Sam. 16:13). Bij de beschrijving van de tempel in 1 Kon en Ezechiel kan het ook “zijkamer” of “zijvleugel” betekenen.
Zou tsela misschien ook in Gen. 2 “zijde” kunnen betekenen? Volgens sommige midrasjiem wel:

Rabbi Jirmeja ben Elazar zei: Toen de Heilige-gezegend-zij-Hij de eerste mens schiep, schiep Hij hem androgyn (tweeslachtig, mannelijk en vrouwelijk tegelijk); dat is de bedoeling van de woorden: 'Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen ... en Hij noemde hun naam Adam' (Gen. 5:2).
Rabbi Sjmoeël bar Nachman zei: Toen de Heilige-gezegend-zij-Hij de eerste mens schiep, schiep Hij hem dubbelzijdig (letterlijk: met twee gezichten), zaagde hem door en maakte hem tot twee aparte lichamen. En dat is de bedoeling van de woorden: 'En Hij nam één van zijn tselaot' (Gen. 2:21). [Genesis Raba 8,1]