Joods-Christelijke Dialoog

Jeremia 31: 31-34

Zondag 18 maart 2018

Een nieuw verbond

door Eveline van Staalduine-Sulman

Het is typerend voor een christelijk leesrooster om alleen deze vier verzen uit het lange hoofdstuk 31 uit Jeremia te vermelden. Het gaat weliswaar over Israël, maar christenen kunnen het gemakkelijk interpreteren als een voorspelling van het ontstaan van de kerk na Pinksteren. Dan wordt de Heilige Geest uitgestort en dan gaan ook de heidenen geloven, waardoor er nadruk wordt gelegd op Gods werk in ons “binnenste” tegenover het houden van alle details van de wet.
Deze tegenstelling zit echter niet zo sterk in de tekst. Dit hele hoofdstuk staat namelijk in het teken van het herstel van Israël – volk, land en religie. Na de troostende, poëtische woorden van de Heer ontwaakt Jeremia en stelt vast: “De slaap had mij goedgedaan.” (vs. 26) Daarna komen er drie proza-gedeeltes die beginnen met “De dag zal komen, spreekt de Heer...” (vs. 27-30; 31-34; 38-40) met daartussenin een meer poëtisch stuk over de eindeloze liefde van God ten opzichte van Israël (vs. 35-37): zolang hemel en aarde bestaan, blijft Gods liefde voor Israël bestaan. Zijn liefde voor Israël is net zo onpeilbaar als de hemel of de fundamenten van de aarde: “zo verwerp ik niet het nageslacht van Israël om alles wat het heeft misdaan” (vs. 37).
In deze context staan de drie proza-gedeeltes. Ze spreken niet alleen over een nieuw verbond (vs. 31-34), maar ook over het “inzaaien” van het land met mensen en dieren (vs. 27-30) en over het herstel van de stad Jeruzalem (vs. 38-40). Dat wordt zo specifiek omschreven dat er geen twijfel kan bestaan of Jeremia heeft het herstel van het aardse Jeruzalem op het oog, inclusief poorten en torens en muren. Het hoogtepunt is het slot: “Heel dit gebied zal aan de Heer zijn gewijd, en Jeruzalem zal nooit meer worden afgebroken en verwoest.” (vs. 40)
Het is omwille van dit slot dat de joodse geschriften deze profetieën van Jeremia niet op het eerste herstel van het land Israël en de stad Jeruzalem betrekken. Jeruzalem is opnieuw verwoest in 70 na Christus Doorgaans wordt het nieuwe verbond in de komende wereld gesitueerd. In de prekenbundel van Rab Kahana staat de uitspraak dat God heeft gezegd over dit nieuwe verbond: “In deze wereld heb Ik de Tora gegeven en individuen studeren hard, maar in de komende wereld zal Ik zelf Israël onderwijzen. Zij zullen studeren en het niet vergeten” (Pesiqta de Rab Kahana 12:21). Nu kun je Tora bestuderen en haar vergeten, of bestuderen en haar niet toepassen. Dan krijg je persoonlijk les van God en zul je dat onderwijs nooit meer vergeten (toe te passen). Die gedachte is ook in de Joods-Aramese vertaling (Targum) van Jeremia verwoord: “Zij allen zullen leren hoe ze Mij moeten vrezen” (vs. 34). Ook daar is het leren toegevoegd als onderdeel van het nieuwe verbond.
De invulling van dat nieuwe verbond maakt al duidelijk dat het niet om iets nieuws – dat wil zeggen, nog nooit gezien of gehoord – gaat, maar om een vernieuwd verbond. De inhoud blijft immers hetzelfde: de trouw van God en Israël aan elkaar, de Tora als leefregels om toe te passen, het leren kennen van God en van zijn geboden. Dat wordt ook duidelijk in het poëtische gedeelte over Gods onwrikbare liefde voor Israël. De Targum maakt het zelfs expliciet, waar het Hebreeuws nog een slag om de arm houdt:
Hebreeuws
Pas als deze [scheppings]orde ophoudt te bestaan... bestaat ook Israël niet meer, is het niet meer voor altijd Mijn volk.

Targum
Zoals het onmogelijk is dat deze verbonden [met zon, maan en sterren] zullen vergaan voor Mijn aangezicht... zo zal het zaad van Israël niet vergaan maar een volk blijven dat voor Mijn aangezicht dient, alle dagen.

Dat heidenen erbij komen, is niet de boodschap van Jeremia. De toespitsing die het hoofdstuk krijgt, is Jeruzalem en daarmee het volk Israël. Dat volk zal weer bloeien in het eigen land en in de eigen stad. Het is daarom dat de auteur van de brief aan de Efeziërs schrijft dat de komst van de heidenen die gaan “delen in de erfenis” een “mysterie” was en pas werkelijk onthuld is in de tijd van de auteur zelf (Ef. 3:3-6).
Het leesrooster koppelt dit Bijbelgedeelte aan Hebreeën 5 en Johannes 12:20-33, waarin het gaat over het “nut” van het sterven van Jezus. In het ene geval wordt Jezus’ lijden en dood gezet in het kader van de offerdienst, waarbij Jezus de rol van hogepriester heeft; in het andere geval verduidelijkt met de metafoor van de graankorrel die na het inzaaien vrucht draagt. Dat God bereid en in staat is om door lijden en dood heen tot nieuw leven te komen, is de overeenkomst met Jeremia 31 (niet de gedachte dat met Jezus een nieuw verbond begint met een nieuw priesterschap, dat niets te maken heeft met het oude verbond). Jeremia 31 schetst immers Gods trouw door ballingschap en Israël zondige bestaan heen en zijn bereidheid om opnieuw te beginnen en het land in te zaaien.
Vanuit Jeremia 31 zou ik ook het licht willen laten vallen op dat ene vers, dat in de christelijke theologie behoorlijk ondergesneeuwd is geraakt: “Hoewel hij zijn zoon was, heeft hij moeten lijden, en zo heeft hij gehoorzaamheid geleerd” (Hebr. 5:8). Gehoorzaamheid leren is het thema van Jeremia 31: hoe doe je dat zonder dat je weer vergeet? Dan moet je wel van God zelf geleerd zijn. Overigens loopt het hele hoofdstuk 5 in Hebreeën uit op de constatering, dat volwassen gelovigen “in staat zijn onderscheid te maken tussen goed en kwaad” (vs. 14). Ook daar het leerproces!
Ook Efeziërs 3 loopt na de constatering dat er iets nieuws gebeurt bij de bekering vanuit de heidenen, uit op de oproep om de vroegere levenswandel op te geven. De oude mens moet worden “afgelegd” als een mantel en de nieuwe aangetrokken. De geest en het denken moet “voortdurend vernieuwd worden” (Ef. 3:23). Het leren (toepassen), dat in de joodse traditie centraal staat en ook verbonden wordt met een vernieuwd verbond, blijkt ook in deze twee brieven nauw verbonden te worden met de levenswandel na de bekering.