Joods-Christelijke Dialoog

Jozua 04:19-05:1.10-12

Zondag 11 maart 2018

VEELZEGGENDE STENEN


door Piet van Midden

Bij het plaatsje Gilgal (‘Rol op, rol af’; SHA-vertaling: ‘Wenteloord’), een oude cultuslocatie van de stam Benjamin, heeft een aantal stenen gestaan die ons tot de dag van vandaag nieuwgierig maken. Wat betekenen die stenen? Ik raad ernaar: het waren masseben, ‘rechtop gezette stenen’ die een bepaalde locatie markeren en een cultische functie hadden. We vinden ze overal in de Hebreeuwse Bijbel terug, met name in de zogeheten deuteronomistische boeken. Daar wordt met enige argwaan naar deze stenen gekeken en worden ze al gauw gerelateerd aan de vruchtbaarheidscultus van Baäl. Een koning die een brevet van geloof in JHWH wil verkrijgen van de schrijver, moet ze opruimen. Daarop wordt hij afgerekend.

Maar de auteur van Jozua, die in die deuteronomitische hoek zit, vertelt er een mooi verhaal over. Die oude cultussymbolen worden opeens niet meer dan een ‘memorial pillar’. Lees zo dadelijk maar even mee . Maar eerst iets over de context van het verhaal van de oversteek.

De doortocht van de ark
De kern van de contrastverhalen rondom ‘Jericho’, zoals Rachab tegenover Achan, wordt gevormd door de vertelling over de processie van de ark van het verbond door de Jordaan: de plechtige binnenkomst van JHWH. Hoofdstuk 3 en 4 vormen het hoofdmoment van de verhalenbundel Jozua 2-8. Het verhaal maakt literair gezien een rommelige indruk, maar twee woorden springen eruit: ‘ark’, en ‘doortrekken’ of ‘overtrekken’. Zeventien maal vinden we het woordje ‘ark’ van 3:1-4:24 en ‘overtrekken’ nog vaker. De priesters die in het verhaal een rol spelen, worden gekwalificeerd als ‘zij die de ark dragen.’ In die hoedanigheid doen ze mee. Toch steken niet de priesters met de ark over. Integendeel: de ark trekt over, zowel in de aankondiging, 3:11, als in de beschrijving van het gebeuren, 4:11. We hebben hier te maken met een liturgische tekst waarin JHWH zelf plechtig de Jordaan doortrekt. Zie ook Deut. 31:3.
We lezen in hoofdstuk 4:

1 Het geschiedde
zodra de hele natie het overtrekken van de Jordaan tot een goed einde had gebracht
dat JHWH tot Jozua zei:
2 Nemen jullie uit het volk
twaalf mannen
één man per stam
3 en gebied hun:
‘Jullie moeten hiervandaan midden uit de Jordaan
van de plaats waar de voeten van de priesters vast staan optillen:
twaalf stenen.
Neem die met je mee naar de overkant
en leg ze neer in de overnachtingsplaats
waar jullie vannacht zullen overnachten.’
4 Toen riep Jozua die twaalf man
die hij onder de kinderen van Israël had vastgesteld
één man per stam.
5 Jozua zei tot hen:
Trek over voor de ark van JHWH jullie god uit naar het midden van de Jordaan.
Elk moet daar één steen op zijn schouder heffen
naar het getal van de stammen van de kinderen van Israël
6 met het oogmerk dat dit een teken wordt in jullie midden.
Wanneer jullie kinderen later vragen:
‘Wat betekenen deze stenen voor jullie?’
7 dan moeten jullie hun zeggen:
‘Dat het water van de Jordaan werd afgesneden
voor de ark van het verbond van JHWH uit.
Toen die de Jordaan overtrok
werd het water van de Jordaan afgesneden.’
Deze stenen zijn tot gedachtenis voor de kinderen van Israël
voor altijd.
8. Zo deden de kinderen van Israël
naar wat Jozua geboden had:
ze tilden twaalf stenen uit het midden van de Jordaan
– zoals JHWH tot Jozua gesproken had –
naar het getal van de twaalf stammen van de kinderen van Israël
en namen die met zich mee naar de overkant naar overnachtingsplaats
en legden ze daar neer.

Ik heb een deel van 4:4 cursief geschreven. Daar wordt verwezen naar een eerder actie van Jozua, in 3:12:

En nu, jullie, neem twaalf mannen
uit de stammen van Israël
uit iedere stam één.

In 3:12 is het nog wat onhelder wat die geselecteerde mannen moeten doen, maar duidelijk is dat ze, net als ooit de verspieders, een stam vertegenwoordigen. Daarmee wordt gezegd dat heel Israël de oversteek maakt. Dat mag inderdaad gezegd worden, want de stammen Ruben, Gad en half Manasse hebben hun erfdeel aan de oostkant van de Jordaan. Maar ze trekken hier toch over. Dat heeft een theologisch motief. De Jordaan is immers niet de grensrivier van Kanaän, maar de rivier die stroomt tussen de Tora en de Nevi’iem, de wet en de profeten. Daarom mag Mozes de rivier niet oversteken en moeten Ruben, Gad en half Manasse dat juist wel doen. In h. 22 keren ze pas weer terug naar het oost-Jordaanse gebied. En zo trekken de Rubenieten, de Gadieten en transjordaans Manasse, die volgens 1:14 ‘aan de spits van de broeders’ moeten optrekken, hier op ‘voor het aangezicht van JHWH.’

De vooraf geselecteerde mannen moeten elk een grote steen uit de rivier zoeken en die meenemen naar de overkant. Die stenen moeten een monument ter gedachtenis vormen.
Maar als we het verhaal goed lezen, gaat het om twee monumenten: een wordt opgericht in het kamp bij Gilgal en een midden in de Jordaan.

9 Twaalf stenen had Jozua opgericht
in het midden van de Jordaan
op de plaats waar gestaan hadden de voeten van de priesters
die de ark van het verbond droegen.
Ze zijn daar tot op de dag van vandaag.

Dat doet vermoeden dat we hier met twee verhalen te maken hebben, die in elkaar zijn gevlochten. Zoiets komt wel vaker voor in de Hebreeuwse Bijbel. Maar het is niet ondenkbaar dat er twee monumenten zijn geweest. Beide verhalen zijn aetiologisch van aard, met andere woorden: ze vertellen een verhaal waarin aangegeven wordt wat de oorzaak of reden (Grieks: aitia) van de plaatselijke monument is. Dat is enerzijds de wonderbaarlijke doortocht van de Jordaan, net als de uittocht uit Egypte. Er is sprake van een parallellie met de exodus: het water dat blijft staan als een dam. Het droge dat zich zo vormt. Maar ook de haast waarmee de oversteek wordt voltooid doet denken aan de haastige uittocht uit Egypte en de eveneens snelle doortocht door de Schelfzee. Hier bij de Jordaan is geen enkele reden om haast te hebben. Maar het moet gaan zoals bij de uittocht. Die verbinding vind je ook in Psalm 114:5:

‘Wat heb je, zee, dat je vlucht? Jij Jordaan, dat jij je omkeert?’

Toen zei JHWH tot Jozua (5:9):

Deze dag heb ik de smaad van Egypte van jullie afgewenteld
en men noemt de naam van die plaats: Gilgal, “Wenteloord”
tot op de dag van vandaag.

Het monument in Gilgal een gedachtenis is van de definitieve bevrijding.

Het monument in de Jordaan heeft dan een andere spits: de stenen staan op ‘het droge’, een plaats waar je kunt zijn, midden in het water. Alle tijd dat de Israëlieten overtrokken, stond die ark daar. Het lijkt wel een scheppingsverhaal: JHWH maakt het droge, een toevlucht te midden van het water, door het water tegen te houden, te scheiden. De droge plaats in de Jordaan is een pars pro toto voor het land Kanaän. Het Jordaan-monument verwijst dan in zekere zin naar de schepping.
Schepping en bevrijding horen overigens bij elkaar. Bevrijding wordt niet voor niets heel vaak in scheppingsterminologie verwoord. Lees Jesaja 40-55!

Jammer trouwens dat de stenen niet meer te vinden zijn…