Joods-Christelijke Dialoog

Samuël 2, 07: 4-16

Bestendig koningschap

Door Tineke de Lange

Met 2 Samuël 7: 4-16 zijn we aangekomen bij het rustpunt in de boeken Samuël: koning David en de ark van het verbond hebben eindelijk hun plaats gekregen in Jeruzalem. De hoofdstukken die hieraan voorafgingen vertellen de successtory van een vorst in opkomst. David is in Hebron tot koning gezalfd (2 Sam. 5:1-3) en heeft Jeruzalem veroverd op de Jebusieten (2 Sam. 5:6-9). Hij heeft zijn cederhouten huis gebouwd (2 Sam. 5-11), bij verschillende vrouwen zonen gekregen (5:13-16) en afgerekend met de Filistijnen (5:17-25).

Met zijn veroveringen, zijn hoofdstad, zijn paleis, zijn vele vrouwen en dito zonen lijkt David zich niet van andere vorsten te onderscheiden. Lijkt… want telkens wordt het grote verhaal van de koning onderbroken door het verhaal van de God van Israël. Bij zijn zalving tot koning herinneren de stammen van Israël David aan de belofte hem gedaan door de Eeuwige en aan het type leider dat hij moet zijn: een koning moet het volk weiden (5:2). Wanneer verteld wordt over Davids vestiging in de ‘stad van David’ en over zijn groeiende macht (5:9) wordt niet vergeten te vermelden dat de Eeuwige de God van de heerscharen, met hem is (5:10). De bouw van het koninklijke paleis is echt niet alleen het allen het resultaat van goede buitenlandse betrekkingen. Nisi dominus – als de Eeuwige het huis niet bouwt… (Ps. 127:1). De hele passage over Davids geslaagde verrichtingen in Jeruzalem (5:6-11) krijgt een tot bescheidenheid dwingend slot: David weet (5:12a) dat Gód hem tot koning heeft aangesteld en dit niet tot meerdere eer en glorie van David zelf, maar omwille van het volk Israël (5:12), Gods volk (vgl. 5:2). Het patroon ‘succes van David – dankzij de Eeuwige’ herhaalt zich in 5:20-25. De overwinning op de Filistijnen heeft David niet te danken aan zijn eigen krijgsmankunst, maar aan de raad en daad van JHWH (5:20.22-25).

‘David wist’, lazen we in vers 12. Toch blijkt David op een aantal momenten de plank mis te slaan. Een zo’n moment doet zich voor in 2 Samuël 6. Amper heeft hij de Filistijnen verslagen of David roept opnieuw zijn keurkorps samen, deze keer om de ark van het verbond op te halen uit het huis van de priester Abinadab (2 Sam. 6:1-9; zie 1 Sam. 7:1). Nergens lezen we dat de Eeuwige hem dit opdraagt. Met het Hebreeuwse ‘wayyoseef’, in fatsoenlijk Nederlands: ‘en weer…’ (6:1) verbindt de verteller Davids ene campagne met de andere. Anders gezegd: op eigen initiatief en als ware het een militaire operatie neemt David de ark mee. Dat kan niet goed gaan – en het gaat het ook niet goed. Het dodelijke incident met Oeza (5:6-8) wekt Davids woede en vrees op. ‘En David vreesde JHWH op die dag’ en vraagt zich af of de ark ooit bij hem zal komen (6:9). De ‘vreze des Heren’ maakt zich van David meester en hij maakt een pas op de plaats. De tweede poging om de ark te brengen naar de Davidsburcht verloopt heel anders (6:12-19). David is hier niet de triomferende koning en legeraanvoerder, maar een man die offers brengt (6:13), een eenvoudig geklede, dansende dienaar van God, die samen met heel het huis Israël de ark omhoog brengt (6:14-15). Al heeft hij zich in de ogen van zijn vrouw en koningsdochter Michal verlaagd voor het minste volk, hem gaat het daar niet om. Hij heeft gedanst voor de Eeuwige, ‘die mij gekozen heeft als vorst over zijn volk’ (6:21).

Na deze inleiding zijn we bij de perikoop van vandaag. De koning woont vast en zeker in zijn paleis, JHWH heeft hem rust gegeven van al zijn vijanden (7:1). David kan zijn gedachten op de Eeuwige richten, maar met zijn goede bedoelingen overspeelt hij opnieuw zijn hand. Tegenover de profeet Natan vergelijkt David de tent waarin de ark van God staat met zijn eigen cederhouten huis (7:2). Wat David van plan is horen we niet, maar de suggestie kan de lezer niet ontgaan: als de koning van Israël in een luxe huis woont, dan zal de ark van de Koning van Israël toch minstens ook in zo’n huis moeten verblijven? Natan bevestigt David in zijn onuitgesproken voornemen: doe wat in je hart opkomt, want de Eeuwige is met je (7:3) – net zoals hij eerder met David was (zie boven, 5:10). Uit de woorden die de Eeuwige vervolgens tot Natan spreekt (5:4-16) blijkt dat koning en profeet zich vergissen.

In 2 Sam. 5:5-16 klinkt de boodschap van de Eeuwige, die Natan, moet overbrengen aan David. Deze heeft de vorm van een monoloog, en wordt voorafgegaan door een introductie (vers 4): ‘Maar in die nacht kwam het woord van de Eeuwige tot Natan’. In de monoloog wisselen verleden, heden en toekomst en de focus op het volk respectievelijk David elkaar af. In vers 5-7 blikt de Eeuwige terug op zijn aanwezigheid onder zijn volk vanaf de dag dat Hij Israël uit Egypte leidde. Eerst nu krijgen we expliciet te horen wat het onuitgesproken voornemen van David was: ‘Wil jij voor mij een huis bouwen om in te wonen?’ (vers 5). Nooit heeft God, in heel zijn geschiedenis met het volk, in een huis gewoond. Nooit heeft bij de vroegere ‘herders’ van Israël gevraagd een huis voor hem te bouwen.

In vers 8-9 verspringt de focus naar het heden en de relatie tussen de Eeuwige en David. God heeft hem achter de kudden weggehaald om, als ware hij een nieuwe herder, Zijn volk te leiden. David heeft zijn positie en successen te danken aan Gods handelen voor hem. Hierna komen het volk en het verleden weer in beeld (vers 10-11a). God heeft Israël ‘geplant’ en ervoor gezorgd dat het veilig kan wonen. Hij heeft Israëls vijanden vernietigd en richters (vergelijk de ‘herders’ van vers 7) aangesteld. De uitdrukking ‘geplant’ verwijst naar Ex. 15:17: ‘U brengt hen en plant hen op de berg die uw eigendom is, JHWH / de plaats die u zelf gemaakt hebt tot uw woning, JHWH / het heiligdom, Heer, dat Uw handen gevestigd hebben’, met onmiddellijk daaropvolgend: ‘JHWH – hij is koning voor altijd en eeuwig’ (Ex. 15:18). Met deze referentie aan het prille begin van Israël wordt David zijn plaats gewezen: de Eeuwige bestemt het heiligdom, Hij is koning! In 11b komt David weer in beeld. Hem wordt expliciet zijn plaats gewezen: ‘Ik heb jou rust gegeven van al je vijanden.’ Maar dat is niet alles. De Eeuwige haalt via Natan haalt als het ware even adem: ‘JHWH geeft je ook te kennen:’ om dan te komen met de onverwachte climax (vers 11d): ‘een huis zal Hij voor je maken, de Eeuwige. ‘Niet David bouwt een huis voor de Eeuwige, de Eeuwige bouwt een huis voor David!

De passage die volgt gaat over de toekomst. Het ‘huis’ van vers 11d wordt in vers 12-16 nader omschreven. Het zal gerealiseerd worden nadat David gestorven is. Dan zal de Eeuwig ‘je zaad doen opstaan na jou, dat uit je lijf voortgekomen is’ en ‘zijn koningschap vastzetten voor altijd’. De uitdrukking ‘jouw zaad dat uit je lijf voortgekomen is’ herinnert aan de belofte aan Abram in Gen. 15,3-4. Net zomin als in 15,4 Abram duidelijk is om welke zoon het gaat, blijft de identiteit van de Davidszoon in 2 Sam. 7:12 voor David verborgen. De lezer is na het lezen van vers 13 geneigd te denken aan Salomo, Davids opvolger en bouwer van de tempel. De ironie wil dat in 2 Sam. 16,11 David niet Salomo, maar de rebellerende Absalom zal betitelen als ‘de zoon die voortgekomen is uit mijn lijf’. Weer gaan God en David niet gelijk op…

De ware zoon van Davids zal een huis bouwen voor de naam van de Eeuwige – let wel: voor diens naam! – en de Eeuwige zal de ‘troon van zijn koningschap’ vastzetten ’voor altijd’ (vers 13). ‘Voor altijd’ wekt de suggestie dat het hier niet alleen over Davids directe opvolger gaat. Hoe dan ook, de relatie tussen God en deze Davidzoon zal zijn als de innige en tegelijkertijd ongelijke relatie tussen vader en zoon (vers 14). Als ware hij een menselijke vader, zo zal de Eeuwige de pvoedingsmethoden van de mens gebruiken (vgl. Spr. 3:12) om in het geval van overtredingen zijn zoon te straffen. Maar zelfs ondanks die overtredingen zal de liefde (chesed) van de Eeuwige niet wijken (vers 15a). Hierna verschuift de focus nog eens, van de zoon naar David en diens voorganger. Wat de Eeuwige heeft gedaan met Saul omwille van David zal hij niet doen met de zoon van David. In vers 16 tenslotte bekrachtigt de Eeuwige tegenover David de in vers 13 gedane belofte omtrent het koningschap van zijn zoon: ‘Je huis, je koningschap zal bestendig zijn voor altijd voor jou/ en je troon zal vast staan voor altijd’. Evenals de belofte van vers 13 reikt ook deze belofte met zijn dubbele ‘voor altijd’ naar een verre toekomst.

2 Sam. 7:4-16 heeft door de eeuwen heen de nodige vragen opgeroepen. Dat begint al in de Tenach zelf. Hoe komt het bijvoorbeeld dat David de tempel niet mag bouwen? 1 Kron. 22:6-10 zoekt de verklaring in het feit dat David door zijn vele oorlogen bloed aan zijn handen heeft. De volkstelling die David in zijn hoogmoed organiseert (2 Sam. 24) wordt niet opgevoerd als reden voor dit uitstel, maar het feit dat David aan het eind van dit hoofdstuk de dorsvloer koopt waarop later de tempel gebouwd wordt zal niet helemaal toevallig zijn. Je zou je op grond van 1 Samuel 5-7 ook kunnen afvragen of Davids impulsieve neiging zelf zaken van de Eeuwige ter hand te nemen geen motief kan zijn om hem de tempelbouw niet in handen te geven.

Het centrale thema van deze perikoop, de belofte van het bestendige koningschap, is eveneens voer voor lezers en gelovigen. Volgens die belofte blijft het huis van David en staat zijn troon voor altijd vast (2 Sam. 5:13.15). Maar ieder die de Tenach kent weet hoe het afloopt met de dynastie van David en het koninkrijk Juda. De tempelbouwer Salomo eindigt als afgodendienaar en als het soort koning (1 Kon. 12,4) waarvoor Samuël het volk gewaarschuwd had (1 Samuël 8). Zijn optreden legt de basis voor de scheuring van Israël (1 Kon. 11,11-13). De dynastie van David eindigt met Jojachin, gijzelaar aan het hof van Babel. Toch is onze perikoop, oppervlakkig gezien een onrealistische tekst over het blijvend koningschap van het huis van David, behouden gebleven. Deze tekst, en de hele Tenach, gelezen, herlezen en opnieuw geïnterpreteerd. Joden en christenen lezen deze teksten over het bestendig koningschap-ondanks-alles op hun eigen, onderscheiden manier. Die onderscheiden lezingen hebben echter dit gemeen: ze reiken naar de toekomst, ze bieden hoop en perspectief. Dat kan niet genoeg verkondigd worden, door christenen en Joden, in een tijd waarin de neiging vast te houden aan een vertrouwd en soms vertekend verleden het te vaak wint van een open blik naar een niet-grijpbare toekomst.