Joods-Christelijke Dialoog

Jona 03: 1-10

Zondag 24 september 2017

Verkondiging en boete

door Tineke de Lange


Met 3:1 begint het tweede deel van het boek Jona. De hoofdstukken 1-2 speelden zich af op en in zee, 3-4 spelen zich af op het land, in en bij de stad Ninevé. Hoofdstuk 1-2 vormden de voorbereiding op Jona’s prediking, hoofdstuk 3-4 vertellen over de uitvoering en gevolgen van zijn verkondiging. Tegelijk zijn er verbanden tussen hoofdstuk 1 en 3. In hoofdstuk 1 en 3 reageert Jona niet mondeling op God. Hij ‘staat op’ en gaat: in hoofdstuk 1 richting Tarsis, tegen de opdracht van God in, in hoofdstuk 3 in de richting van Ninevé, overeenkomstig het gebod van God. De hoofdstukken 1 en 3 corresponderen om nog een reden met elkaar: de vreemde zeelui en de inwoners en koning van Ninevé tonen zich de ware Godvrezenden. Zij ‘roepen tot God’ (1:14 en 3:8), doen geloften en offeren (de zeelui: 1:16) en vasten en doen boete (de Ninevieten: 3:5-8).

Nadat de grote vis Jona op het droge gespuwd heeft (2:11) zendt de Eeuwige de profeet opnieuw naar Ninevé (3:1-2). Weer staat Jona op (3:3), maar in tegenstelling tot het begin van het boek volgt hij nu wel woord van de Eeuwige op en gaat hij naar Ninevé. De beschrijving van Jona’s entree in Ninevé (vers 4) wordt voorafgegaan door de vermelding van de enorme omvang van de stad: ze is zo ‘Godsgroot’ dat je drie dagen nodig hebt om van de ene kant naar de andere kant te komen. Maar zo ver komt Jona niet eens. Na slechts een dag (vers 4) slaat zijn boodschap al bij de bewoners aan (vers 5).

De boodschap van Jona houdt in dat binnen veertig dagen Ninevé ondersteboven gekeerd zal worden. De parallel met Sodom is duidelijk (Gen. 19:21.25.29). Maar anders dan in Sodom komen de bewoners van Ninevé tot inkeer (vers 5). Ze geloven God en roepen bij het horen van Jona’s woorden onmiddellijk een vasten uit en voltrekken allerlei rituelen ter boetedoening. Niemand wordt van de boetedoening uitgezonderd: van groot tot klein – weer een verwijzing naar Sodom, vergelijk Gen. 19:4 – hullen ze zich in ‘zakken’. Wanneer de verkondiging van Jona de koning bereikt, sluit hij zich bij het handelen van zijn onderdanen aan (vers 6), zij het in omgekeerde volgorde: eerst het ritueel (vers 6), dan de oproep tot vasten (vers 7-8). Zijn handelingen worden gedetailleerd beschreven: hij staat op (net als Jona in 3:3) van zijn troon, hij legt zijn staatsiegewaad af, trekt een zak aan en gaat in het stof zitten. Vervolgens laat hij het bevel uitroepen tot een algehele vasten (vers 7). Dat lijkt overbodig, want de Ninevieten waren al aan het vasten geslagen. Maar de koning doet er nog een schepje bovenop, door te verordenen dat ook de dieren mee moeten doen. Het bevel tot vasten wordt gedetailleerd beschreven: mens noch dier, rund noch kleinvee mogen iets ‘proeven’, ‘grazen’ (dit slaat ongetwijfeld op rund en kleinvee), eten of drinken. De radicaliteit van deze boetedoening, waarbij zelfs drinken taboe is, wordt nog eens onderstreept in het volgende vers. Niet alleen de mensen, ook de dieren moeten een zak aantrekken en ‘met kracht’ roepen tot JHWH. Van koe tot koning, heel de stad hult zich in het boetekleed en roept tot de Eeuwige (3:8). De koning roept niet alleen op tot rouwbetoon en smeekbeden aan God. Zijn bevel behelst ook gedragsverandering. Ieder (mens en dier?) moet van zijn kwade weg omkeren en van het geweld dat aan zijn handen kleeft. Kortom: het grote, machtige Ninevé, waarvan het kwaad opgestegen is tot de Eeuwige (zie Jona 1,2), doet boete in het kwadraat, in het bewustzijn dat het leven van de stad en haar inwoners in handen is van de Eeuwige. Misschien wordt de ommekeer van de stad wel beantwoord door de ommekeer van God (vers 9):

Wie weet

wil Gód omkeren en KRIJGT HIJ BEROUW, ja – keert hij om van zijn ziedende toorn
zodat we niet verloren gaan!
En God keert om en besluit de stad te sparen (vers 10):
en God zag hun daden
dat ze weerkeerden van hun kwade weg
en God KREEG BEROUW over het kwaad
dat hij gezegd had hun aan te doen;
en hij deed het niet.

Naast de spiegelwerking ten opzichte van Genesis 19 vertoont Jona 3 een opmerkelijke parallel met Joël 2:12-14:

‘Maar ook nu nog – godsspraak van de Eeuwige:

‘Keer u om naar Mij met heel uw hart,
vastend, wenend en rouwend.
Scheur uw hart en niet uw kleren,
keer u om tot de Eeuwige, uw God,
want Hij is genadig en barmhartig,
toegevend en vol liefde,
en Hij heeft spijt over het onheil.
Wie weet, zal Hij omkeren en krijgt Hij spijt,
en laat dan zegen achter zich,
een huldigingsoffer en een plengoffer voor de Eeuwige, uw God!’

God is genadig, barmhartig en vol liefde. Welke consequenties trekken wij mensen daaruit? Hoe Jona, de brenger van het woord van de Eeuwige, reageert op de ommekeer van ‘zijn’ God lezen we in Jona 4.





Voor de weergave van Jona 3:9-10 is gebruik gemaakt van Jona. Een vertaling om voor te lezen. (1977). (Societas Hebraica Amstelodamensis, vert.) Amsterdam/Boxtel: Nederlands Bijbelgenootschap/Katholieke Bijbelstichting.