Joods-Christelijke Dialoog

Exodus 34: 4-9

Zondag 11 juni 2017

De namen van de Eeuwige

door Dodo van Uden

vers 6-7a
In deze verzen roept de Eeuwige voor Mozes zijn namen uit.
Deze namen worden in de Joodse traditie niet gezien als abstracte “eigenschappen” van God, maar als midot (letterlijk: maten), waarmee hij de wereld “meet”. Anders gezegd: de namen zijn relatie-woorden, woorden die Zijn relatie met de mens karakteriseren.

Tegelijk zijn Gods namen programmatisch; zij zijn een voorbeeld voor en een opdracht aan de mens:

“Ieder die de Eeuwige bij name noemt, wordt gered” (Joël 3:5 (2:32)). Maar hoe is het voor de mens mogelijk de Eeuwige bij name te noemen?
Wel, de Eeuwige wordt “barmhartig” genoemd (Ex. 34, 6), wees ook jij barmhartig.
De Heilige-Hij-zij-gezegend wordt “genadig” genoemd (idem; Ps. 145:8), wees ook jij genadig en geef gaven om niet.
Hij wordt “rechtvaardig” genoemd (Ps. 11:7), wees ook jij rechtvaardig.
Hij wordt “trouw” (chasied) genoemd (Jer. 3:12), wees ook jij chasied.
En dat is wat wordt bedoeld met: “Ieder die de Eeuwige bij name noemt ...”
(Sifree Devariem piska 49)

Het is logisch dat in Ex. 34, aan het slot van de geschiedenis met het gouden kalf, nu God de draad weer oppakt en met het volk verder gaat, de nadruk ligt op Gods erbarmen:

Rabbi Simon zei: Dertien midot van erbarmen zijn er geschreven over de-Heilige-gezegend-zij-Hij, namelijk: “En de Eeuwige ging aan zijn aangezicht voorbij en riep: Eeuwige, Eeuwige, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot in verbondenheid (chesed) en trouw (emet); die verbondenheid (chesed) bewaart voor duizenden (generaties), misdaad en ontrouw en zonde vergeeft en vrijspreekt” (Ex. 34:6-7).

(Aan het eind van deze opsomming wordt de grammaticaal bij elkaar horende uitdrukking nakee lo jenakee uit elkaar gehaald: nakee (hij spreekt vrij) wordt bij het vorige getrokken, lo jenakee (hij spreekt niet vrij) vormt dan het begin van de volgende zin.)

De dertien midot van erbarmen spelen een belangrijke rol in de Joodse liturgie. Zij worden vele malen gezongen tijdens de Hoge Feestdagen (Joods Nieuwjaar en Grote Verzoendag) en ook op de andere feestdagen (tenzij de feestdag op een sjabbat valt).
https://www.youtube.com/watch?v=27TCw-AtN8Q
https://www.youtube.com/watch?v=ydpBNFaTd9UU

vers 7b
Dit versdeel bevat een kortere herhaling van wat is gezegd in de Tien Woorden (Ex. 20:5) bij het verbod op afgoderij: “Bezoekend de misdaad van vaderen aan zonen en aan zonen van zonen, aan nakomelingen van de derde generatie en aan nakomelingen van de vierde generatie.”
In de christelijke traditie worden deze woorden vaak gezien als een “bewijs” van de hardheid en wreedheid van het Oude Testament en de Oud-Testamentische God. “Dat is mijn God niet,” heb ik vaak gehoord.

In de Joodse traditie leest men deze woorden door een wat andere bril. We hebben net uitgebreid gehoord over Gods erbarmen. Zelfs na een verbond-brekende overtreding is Hij bereid opnieuw te beginnen en het verbond te vernieuwen. Maar een overtreding heeft consequenties en die consequenties worden door vergeving nooit helemaal opgeheven. Zoals rabbijn Vredenburg zegt:

Nakee lo jenakee, die geen misdaad geheel ongestraft laat, dus naast liefde ook rechtvaardigheid oefent. (De Thora met Nederlandse Vertaling en Verklaringen door rabbijn J.Vredenburg. Deel II Exodus p.116)

Goed, maar moeten dan kinderen boeten voor de misdaden van hun ouders? Volgens de midrasj alleen onder bepaalde omstandigheden:

“Aan de derde en de vierde generatie voor wie Mij haten” (Ex 20:5). [Waarom staan de woorden voor wie Mij haten erbij? Om duidelijk te maken dat het geldt] wanneer zij de daden van hun vaders overnemen. [Midrasj haGadol op Ex 20:5]

Dasberg vertaalt dan ook: “... op het derde en het vierde geslacht voor zover die Mij haten” (cursivering van mij).

Maar zelfs daarmee is de midrasj niet tevreden. De woorden “bezoekend de misdaad van de vaderen aan de zonen enz.” kunnen worden gelezen als: Pas in de derde of vierde generatie wordt de misdaad afgerekend:

[...] Hij laat de zaak voor de vader vier generaties rusten. Als één van hen [van de volgende generaties] een rechtvaardige blijkt te zijn, dan wordt de vader gered. Als geen van hen een rechtvaardige blijkt te zijn, dan wordt elk voor zijn eigen daden gestraft. [ Midrasj Hasjkeem, geciteerd uit de Tora Sjlema, band 16, p.44v, nr 169].

We hebben vier generaties de tijd om van een verkeerde weg terug te keren.

(Voor een uitgebreide bespreking van Ex 20:5b-7 zie Dodo van Uden, Niek de Wilde, Henk Scholder, Gebeitelde Woorden, Sprekende Taal. Verkenning van de Tien Woorden in de joodse traditie 1, p.70-90)