Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 41: 17-20

Zondag 21 mei 2017
Overdenkingen bij Jesjaja 41:17-20

door Leo Mock

Jesjaja 41 is best een ingewikkeld hoofdstuk – waar gaat het nu precies over? Dat het een boodschap is van hoop voor Israël en minder positieve berichten voor sommigen van de volkeren, lijkt duidelijk. Maar wat en hoe precies is minder duidelijk. Wie is die persoon waarvan aan het begin van het hoofdstuk gezegd wordt (41:2): Wie heeft hem uit het oosten verwekt, dien bij elke schrede de zege ontmoet? Wie levert volken aan hem over en doet hem koningen vertreden, wiens zwaard hen maakt tot stof, wiens boog hen maakt tot dwarrelende stoppels? Gaat dit over de eindtijd, over een messiaans personage. Nietes, zegt de Talmoed en in navolging daarvan veel Middeleeuwse Joodse exegeten. Dit gaat over niemand anders dan Abraham die uit het Oosten kwam naar Kenaän en de rechtvaardigheid (tzedek) daar uitdroeg. De militaire overwinningen verwijzen dan naar de oorlog met de koningen waarvan in Gen. 14 wordt verteld. Nee, zegt een kleine minderheid (Ibn Ezra & Josef Kara) het gaat over Koresj, Cyrus, die uit het Oosten komt, de Babyloniërs en andere volkeren komt straffen en Israël in ere hersteld. Jesjaja noemt Koresj immers zelfs Messias, Gods gezalfde – 45:1.

Deze figuur komt in het tweede gedeelte van de hoofdstuk weer terug:
Ik heb uit het oorden iemand doen opstaan, en hij is gekomen; vanwaar de zon opgaat, die mijn naam aanroept; hij vertreedt stadhouders als leem, zoals een pottenbakker de klei. Wie heeft het van de aanvang af bekendgemaakt, zodat wij het weten? En tevoren, zodat wij moeten zeggen: Hij heeft gelijk? Neen, niemand heeft het bekendgemaakt, niemand heeft het doen horen, niemand heeft u daarover horen spreken. Als eerste [verkondig] [Ik] aan Sion: Zie, daar zijn zij. En aan Jeruzalem geef Ik een vreugdebode. (41:25-27)

Opnieuw messiaanse connentaties, dit keer echter komt de figuur uit het Noorden. Hier ijn de meeste exegeten het eens – dat is Cyrus. Omdat Perzië in het Noord-Oosten ligt vanuit Israël gezien (Rasji). De Redak (Kimchi) brengt echter de mening van zijn vader dat het over dé Messias gaat, die nog moet komen. En waarom uit het Noorden? Omdat hij eerst uit het land van de verloren Tien Stammen komt, die hij met zich zal meenemen. En die verloren stammen liggen in het Noord-Oosten vanuit Israël gezien. Verleden, heden en toekomst lopen door elkaar en zijn met elkaar verbonden, of liever: verknoopt.

In het midden van het hoofdstuk lezen we over de hoop en troost van Israël:
Want Ik, de Here, uw God, grijp uw rek help u. Vrees niet, gij wormpje Jakob, gij volkje Israel! Ik ben het, die u help, luidt het woord des Heren, en uw Verlosser is de Heilige Israels. (41:13-14)

Ondertussen is het nog niet zover. Eerst zal men vertwijfeld zoeken, maar niet meteen vinden: “De ellendigen en de armen zoeken naar water, maar het is er niet, hun tong verdroogt van dorst; Ik, de Here, zal hen verhoren; Ik, de God van Israel, zal hen niet verlaten.” (v. 17) het zoeken naar water staat voor honger en dorst naar inspiratie, levenskracht, inzicht en Godskennis, naar de levende woorden van de Tora, naar Gods Aanwezigheid en nabijheid – zoals we dat ook uit andere profetische teksten kennen (zie bijv. Jes. 55:1). Daarnaast staat water in het Midden-Oosten uiteraard ook voor fysiek leven. Met de terugkeer naar het fysieke water en spirituele water, zal de flora van Israël hersteld worden:
Ik zal op kale heuvels rivieren doen ontspringen en bronnen te midden der valleien; Ik zal de woestijn tot een waterplas maken en het dorre land tot waterbronnen. Ik zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten; Ik zal in de wildernis cypres naast plataan en denneboom planten (41:18-19)

Volgens Redak zullen de bomen voor de terugkerende ballingen geheel nieuw opschieten op de dorre woestijngrond, voor schaduw zodat de zon hen niet zal deren. Als teken van de vernieuwde schepping (zie v. 20 ‘geschapen’ – bera’ah) en verlossing tot in einde der tijden. Misschien kunnen we ook zeggen dat de bomen voor de mensen staan, en de verschillende soorten bomen voor het herstel van heel Israël – met alle soorten mensen. De wonderbaarlijke vegetatie die zal ontstaan, zal een teken zijn voor de macht en kracht van God:
Opdat men zie en tevens erkenne, bedenke en tevens begrijpe, dat de hand des Heren dit gedaan en de Heilige Israels het geschapen heeft.
In tegenstelling tot de afgoden die niets en van geen waarde zijn (v. 21-24), en niets op juiste wijze kunnen voorspellen:
Zie, zij allen zijn nietigheid; niets zijn hun werken, wind en ijdelheid hun gegoten beelden (v. 29).