Joods-Christelijke Dialoog

Ezechiël 39: 21-29

Zondag 28 mei 2017

Door Tineke de Lange

Ezechiël 39:21-29 vormt het slot van de passage over de nederlaag van de mythische koning Gog (39: 1-16) tegen de God van Israël en de horror van het bovenmenselijke slagveld na de strijd (39:17-20). Hoewel deze tekst nogal wat gruwelijke beelden bevat, gaat het de profeet niet om effectbejag. De beelden staan in dienst van zijn verkondiging van de heerlijkheid en de macht van de Eeuwige over alle volkeren, zoals we kunnen lezen in vers 7 en vers 21.

In vers 21 wordt de heerlijkheid van de Eeuwige zichtbaar (‘zij zullen zien’) in het recht dat Hij doet en in zijn macht over de volkeren. ‘Zien’ betekent ‘weten’, zowel voor Israël als voor de volkeren. Israël weet nu definitief dat de Eeuwige zijn God is (vers 22). Gaat het bij Israël om het inzicht van de insider dat de Eeuwige hun God is, het inzicht van de volkeren komt voort uit het feit dat zij als outsiders getuigen zijn geweest van wat zich tussen Israël en de Eeuwige heeft afgespeeld (vers 23-24). Met andere woorden: de volkeren leren over God niet rechtstreeks, maar via Zijn geschiedenis met Israël. Kerngegeven in deze geschiedenis, die beschreven wordt in vers 23-24, is de ballingschap, en met name het aandeel dat het ‘huis Israël’ daarin zelf heeft gehad. Israël is vanwege zijn eigen handelen in ballingschap gegaan (vers 23a). Dit wordt door vier chiastisch geplaatste versdelen vanuit het perspectief van de Eeuwige beschreven: zij waren mij ontrouw / ik verborg mijn gezicht; ik gaf hen in de macht van hun belagers / zij vielen door het zwaard (vers 23 bc).
In vers 24 worden de voorafgaande verzen samengevat. Weer staat het handelen van Israël voorop, namelijk ‘hun onreinheden en hun overtredingen’, daarna wordt verwezen naar Gods handelen. In het laatste deel van dit vers wordt duidelijk wat dit handelen inhoudt: de Eeuwige heeft Zijn gezicht voor Israël verborgen. Het werkwoord ‘doen/handelen’ verbindt vers 24 met het begin van onze perikoop, waar gesproken werd over het recht dat de Eeuwige ‘doet’. Valt de ballingschap van de Israëlieten ook onder dit ‘recht doen’? Gezien de context is dat niet onwaarschijnlijk. Volgens vers 22-23 zijn de Israëlieten door hun ontrouw en overtredingen immers zelf verantwoordelijk voor de ballingschap. Door die ontrouw en overtredingen heeft de Eeuwige Zijn gezicht verborgen, in tegenstelling tot in Numeri 6,24-26, waar de Hij zijn gelaat over hen laat schijnen. Maar het gelaat van de Eeuwige blijft niet verborgen.

In het tweede deel van onze lezing, vers 25-29, keert de situatie van het volk ten goede. Na de zogeheten bodespreuk (‘Zo spreekt de Eeuwige’) wordt met twee korte zinnetjes de ommekeer ingeluid: ‘Ik doe keren het lot van Jakob / ik zal me ontfermen over heel het huis Israël’.
In vers 21 werd de heerlijkheid van de Eeuwige verbonden met recht en macht, in vers 25 zijn ommekeer en ontferming verbonden met (de ijver voor) Zijn heilige naam. Het is niet zo dat het falen van het huis Israël weggepoetst wordt, maar het volk krijgt een nieuwe kans om veilig en onbedreigd in het land te leven (vers 26). Deze tekst doet denken aan Leviticus 26:6, waarin het volk voorgehouden wordt de Tora na te leven, opdat het in veiligheid en vrede en voorspoed zal leven. Net zoals Ez. 39:25 het spiegelbeeld vormt van 39:21, zo vormen de verzen 27-29 het spiegelbeeld van 22-24. Leerden de volkeren daar de Eeuwige kennen als de God die Israël in ballingschap liet gaan, hier leren ze hem zien als de Heilige die Israël verzamelt en weghaalt uit de volkeren. Doordat Hij de ballingen terugbrengt, betoont de Eeuwige zich als de geheel Andere, ten overstaan van de volkeren; zie ook Ezechiël 20:41 en 36,23-24. Beseft Israël eerst dat de Eeuwige wegens hun zonden de ballingschap over hen heeft doen komen, nu brengt hij ieder van hen, niemand uitgezonderd, terug naar hun (akker-)land. Verborg Hij eerst zijn gelaat voor hen, nu zegt hij toe dat nooit meer te doen. Tenslotte zal de Eeuwige zijn Geest niet slechts geven, zoals in Ezechiël 37:5-6.14, maar over hen uitstorten, als een uitbundige gave. Met de formule ‘zo spreekt de Heer, de Eeuwige’ wordt de perikoop afgesloten. Het volk wacht een hoopvolle toekomst. En niet alleen het volk: ook de tempel. Daarover gaat Ezechiël 40.