Joods-Christelijke Dialoog

Deuteronomium 06: 20 – 25

Zondag 14 mei 2017

Een bijzondere vraag, een speciaal antwoord

door Afke Maas-Smilde

Hagada
Wie op zoek gaat naar joodse uitleg over bovenstaande tekst uit Deuteronomium komt al snel terecht in de hagada, de handleiding, de gids, voor de viering van de sederavond aan het begin van Pesach. Hagada betekent letterlijk ‘verhaal’ en het boek van de hagada bevat dan ook hét bevrijdingsverhaal, namelijk dat van de Uittocht uit Egypte. Rond dat verhaal zijn vragen en antwoorden, liederen en lofzeggingen te vinden in de hagada en meestal ook fraaie illustraties en interpretaties van de tekst. Ik raadpleegde o.a. de Brede Hagada. Deze is zo genoemd omdat de hagada uitgegeven is met bladzijden in de breedte, liggend. Maar ook zo genoemd omdat er commentaren in zijn te vinden uit de hele breedte van het jodendom.
Op de zondag van deze bijbeltekst (14 mei 2017) is Pesach al een aantal weken geleden. Onderwerp is nu in onze tekst hoe de ervaring van bevrijding door te geven aan de volgende generatie. De ervaring bevrijd te zijn wordt elk jaar op sederavond weer vernieuwd door het zingen, vertellen en discussiëren over bevrijding en ook door het proeven van de matses, bittere kruiden (maror) en zoete moes (charoset).

De vier kinderen
Op vier plaatsen in de Tora (opgevat als de eerste vijf boeken van de bijbel) wordt gesproken over zonen die vragen stellen of aan wie verteld wordt over de Uittocht: Deuteronomium 6: 20; Exodus 12: 26; Exodus 13: 14 en Exodus 13: 8. Vandaar dat in de hagada vier zonen voorkomen, elk met een eigen vraag en een eigen antwoord. Beter gezegd: er zijn drie zonen met vragen en eentje weet niet te vragen. Aangezien we het Hebreeuwse woord ‘ben’ behalve met zoon ook met kind kunnen vertalen, geef ik hieraan de voorkeur. In haar toelichting spreekt de Brede Hagada ook van ‘kinderen’. Zo worden de meisjes inbegrepen. Ik kom hier verderop op terug.
De kinderen worden in de Brede Hagada respectievelijk aangeduid als: de wijze, de slechterik, de brave en degene die niets weet te vragen.

Het wijze kind
Het kind uit Deuteronomium 6: 20 wordt wijs, ‘chacham’ genoemd. Waarom dat zo is, komt door de vraag die het stelt. In de woorden van de Brede Hagada: “Wat betekenen al die bepalingen en wetten en regels die de Eeuwige, onze God, jullie heeft voorgehouden?” Wat dit kind ‘wijs’ maakt, is dat het spreekt over ‘onze God’. Het voelt zich deel van het volk Israël en vraagt naar de grond van alle regels, niet naar de inhoud ervan. Dat laatste stelt rabbijn Vredenburg in zijn vertaling van de Tora met verklaringen (1991). Dit kind wil weten en is bereid te leren wat erachter de regels zit. De grond van alle regels die het kind daarna uitgelegd moet krijgen volgens de Deuteronomium-tekst is het verhaal over de uittocht uit de slavernij van Egypte. Het moet verteld worden in de ‘wij-vorm’: ‘Dienaren waren wij bij Farao in Egypte, en toen leidde de Ene ons weg uit Egypte met sterke hand.’ (Deut. 6: 21, Naardense Bijbel, 2014) Ook degene die zelf de slavernij en de uittocht niet heeft meegemaakt, vertelt het verhaal alsof hij/zij er zelf bij was. De verteller maakt zo een begin voor de luisteraars om samen deel te worden van de gemeenschap die bevrijd wordt. Zo kun je spreken van ‘wij’. Dat komt over bij het wijze kind dat oprechte interesse heeft in de grond van de voorschriften.

De slechterik
Hoe is het dan met de andere kinderen? Wat vragen zij en wat krijgen zij te horen?
Ik citeer de Brede Hagada: “Wat vraagt de slechterik? ‘Wat betekent dit gebruik voor jullie?’ (Exodus 12: 26) Hij zegt: ‘voor jullie’ en niet ‘voor hem’. Omdat hij zichzelf buiten de groep stelt en daarmee God ontkent, moet je hem zo antwoorden, dat hij met stomheid geslagen is, namelijk: ‘Zo gedenk ik wat de Eeuwige voor mij heeft gedaan toen ik wegtrok uit Egypte.’ (Exodus 13: 8) ‘Voor mij’, niet voor hem. Als hij in Egypte geweest zou zijn, was hij niet bevrijd.”
De wijze en de slechterik vergeleken, een andere uitleg
In rabbijnse uitleg komen bezwaren naar voren tegen deze strenge uitleg van Exodus 12: 26. In de Brede Hagada worden deze als volgt samengevat: “Aardig is om te zien dat in de tegenwoordige tekstversie zowel het wijze als het slechte kind de vraag formuleert alsof de gebruiken hemzelf niet aangaan. [Beide spreken van ‘jullie’.] Het slechte kind wordt in de tekst verweten zich buiten de groep te stellen, terwijl het wijze kind niet op die formulering wordt aangesproken.” Vervolgens wordt erop gewezen dat in de oude versies van de hagada de tekst van het wijze kind anders was [‘wat betekent ‘het’ voor ons] en de tekst van de hagada in de loop der tijd op plekken werd gecorrigeerd om b.v. in lijn met de geciteerde Torateksten te blijven. Op grond van de moderne hagada-teksten is het dus mogelijk om de tegenstelling tussen beide kinderen minder scherp op te vatten en daarmee het wijze kind uit onze tekst wat minder wijsheid toe te dichten. We kunnen van de tekst van Deuteronomium 6: 20 dus ook deze uitleg geven: dit kind aanvaardt God omdat het van ‘onze God’ spreekt, maar niet de voorschriften, want die zijn nog voor ‘jullie’.

Het brave kind en het kind dat niets te vragen weet
Het derde kind is het brave kind. De Brede Hagada vertelt: “Wat vraagt het brave kind? ‘Waarom doen wij dit?’ (Exodus 13: 14) Antwoord hem: ‘Met grote vastberadenheid heeft de Eeuwige ons uit Egypte weggevoerd, uit de slavernij.’”
Het vierde kind weet niets te vragen. Hierover vertelt de Brede Hagada: “En het kind dat niets weet te vragen, daar moet je zelf het gesprek mee aanknopen, want er staat: ‘En vertel jouw zoon die dag: Zo gedenk ik wat de Eeuwige voor mij heeft gedaan toen ik wegtrok uit Egypte.’ (Exodus 13: 8)” Ook wie niets weet te vragen wordt bij het verhaal van de bevrijding uit slavernij betrokken. Daarvoor is dit verhaal te belangrijk om het leven in vrijheid te behouden.

De vier dochters
In de Haggada van R.C. Musaph-Andriesse en E. van Voolen wordt op pagina 15 vermeld dat ook over vier dochters gesproken kan worden en vervolgens wordt een eigen karakterisering gegeven van deze vier dochters. De uitleg van de eerste twee typen dochters wil ik graag even noemen. Over de wijze dochter staat hier: “De wijze vraagt wat de Sjechina (de goddelijke Aanwezigheid, een vrouwelijke benaming van God) van ons verlangt. We moeten het aandeel van onze voormoeders belichten, want hun verhaal maakt nu geen deel uit van de hagada.” In plaats van de slechterik wordt gesproken van de bittere dochter. “De bittere dochter vraagt waarom jullie, vrouwen, het thema vrouwen voor het voetlicht willen halen. Zij sluit zichzelf uit van de vrouwelijke gemeenschap, en ontkent wat Mirjam en zovele anderen voor ons gedaan hebben. Ze bevestigt het vooroordeel en de gangbare ideeën over vrouwen.” Zo wordt geprobeerd met een interpretatie van de hagada de tekst actueel te maken en vrouwen en meisjes er extra bij te betrekken.

Verdere interpretatie
Menig hagada gaat verder met de interpretatie van deze teksten over typen van kinderen. In de Brede Hagada legt rabbijn Marianne van Praag uit: “Een verklaring voor de keuze van deze vier kinderen is dat men in hen vier typen mensen ziet. Je kunt ze ook zien als vier verschillende kanten in onszelf. Wij allen hebben die vier mogelijkheden die onder verschillende omstandigheden de overhand hebben. Soms stellen we vragen en willen we weten, soms plaatsen we onszelf buiten de groep waartoe we behoren, verdwijnen we in zelfmedelijden of rebellie. Soms zijn we dom. En soms komen er, door wat voor oorzaak ook, geen vragen uit onze mond.” Het feest waar de hagada ons in voorgaat, is het feest van onze bevrijding. Marianne van Praag gaat verder met haar uitleg: “Als we leren die verschillende kanten (kinderen) in onszelf te herkennen en deze te duiden wanneer we in die rollen vervallen, en als we leren deze kanten te beheersen, dan zullen we ervaren wat werkelijke vrijheid is.” Ze besluit met de wens: “Mogen wij allen die vrijheid ervaren.”
Wat ik hier heel inspirerend aan vind, is dat alle vier typen mensen horen bij het volk Israël, niemand wordt uitgesloten, ook de meest sceptische niet die afstand neemt door van ‘jullie’ te spreken. Het mooie is dat deze uitleg ons aanspoort om de vier kanten in onszelf op te sporen. We zijn niet altijd de wijze, de verstandige die wil weten en erbij wil horen, niet het kind van de tekst van Deuteronomium 6: 20 - 25. Soms vragen we niets en wordt het verhaal ons toch verteld. Soms hebben we alleen een simpele vraag en soms voelen we afstand tot de geschiedenis van de Uittocht, tot de bevrijding uit onze moderne onvrijheid, en is het niet ons verhaal.

Besluit
Waar het uiteindelijk om gaat, is vanuit de bevrijding uit het slavenhuis te komen tot werkelijke vrijheid, vrijheid die verbonden is met gerechtigheid (Deut. 6: 25). De voorschriften zijn gegeven om die vrijheid te bereiken en te behouden in ‘het land dat hij aan onze vaderen heeft gezworen’ en om zo ‘ontzag te hebben voor de Ene, God-over-ons, ons ten goede al de dagen, om ons te doen leven, zoals op deze dag’ (Deuteronomium 6: 23, 24, Naardense Bijbel, 2014). Voorschriften dus om niet terug te vallen in de onvrijheid van het slavenhuis en daar de kinderen van de volgende generatie steeds in mee te nemen - of het kind nu wijs, slecht, braaf of verstomd is.

Aangehaalde literatuur:
De Brede Hagada, uitgave van Stichting Sja’ar, 2011. Zie: www.hagada.nl
Haggada, Het Pesachverhaal, opnieuw vertaald, ingeleid en van commentaar voorzien door R.C. Musaph-Andriesse en E. van Voolen, Ten Have/Baarn 1993.
De Thora met Nederlandse Vertaling en Verklaringen door Rabbijn J. Vredenburg, Amsterdam 1991.