Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 49: 13-18

Zondag 26 februari 2017
Overdenkingen bij Jesaja 49:13-18

Door Leo Mock

Jes. 49 is een hoofdstuk van troost. De verzen 13-18 draaien om de vreugde waarmee de verlossing gepaard zal gaan op aarde, in de hele wereld, ja de hele kosmos: Jubelt, gij hemelen, en juich, gij aarde, breekt uit in gejubel, gij bergen ... (v. 13). Israël – volk en land – en in het bijzonder de stad Jeruzalem kan het zelf echter nog niet geloven. Zij merkt nog niets van de ommekeer – ze ervaart nog haar eenzaamheid en ballingschap: Maar Sion zegt: De Here heeft mij verlaten en de Here heeft mij vergeten (v. 14). God laat echter weten dat dit een verkeerde voorstelling is – God zal stad en volk nooit vergeten. Het beeld dat hierbij gebruikt wordt is van de liefde en zorg van een moeder voor haar jonge kind, en dat van de jonge moeder voor haar zuigeling. Een vrouwelijk beeld van God? Zelfs als het een enkele keer voorkomt dat deze natuurlijke liefdesband verstoort is, dan nog zal God Israël niet vergeten (v. 15).
Ter versterking van dit niet vergeten volgt een opmerkelijk beeld (v. 16): Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift, uw muren zijn bestendig voor Mij (n geestesoog ingeprent/gegrift). Volgens Malbim (19e eeuw) is dit een herneming van o.a. Deut. 6:8 - Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn ... Zoals Israël zich de liefde voor God en diens eenheid steeds voor ogen houdt en doorleeft – en dit zelfs in het dagelijkse ritueel van het aanleggen van de tefillien symboliseert – zo ook zijn Israël en Jeruzalem God steeds voor ogen. Ook wanneer ze in ballingschap is en de muren verwoest zijn. Het ingraveren van de hand is tevens een verwijzing naar Gods handelen in de geschiedenis die uiteindelijk op het herstel en de verlossing van Israël gericht zijn.
Deze verlossing heeft God (en de profeet) dan ook nu al voor ogen (v. 17): Uw zonen snellen toe, uw vernielers en uw verwoesters trekken van u weg. Het volgende vers versterkt het beeld van het verlaten Jeruzalem, waar nu vanuit alle hoeken van de wereld de ballingen tot toestromen (v. 18): Hef uw ogen op naar rondom en zie hen allen; zij vergaderen, zij komen tot u... Om vervolgen weer een beeld te nemen uit de wereld van de vrouw: gij zult hen allen aandoen als een sieraad, en hen ombinden, zoals een bruid. Het verlaten Jeruzalem dat zich kleedt en tooit met de ballingen in fysieke zin: de verlaten heuvels en woonplekken worden weer bewoond. Als door een wonder kan het kleine Jeruzalem deze intocht aan nieuwe bewoners bevatten. Zij zijn weer het sieraad van deze stad.
De sieraden en het ombinden hebben tot slot volgens Malbiem een dubbele betekenis: zij symboliseert de blijvende band tussen Jeruzalem en haar nieuwe bewoners, maar ook tussen God en volk – bruidegom en bruid.