Joods-Christelijke Dialoog

Exodus 22: 20-26

Zondag 19 februari 2017

Lening

door Dodo van Uden

In deze bijdrage richt ik mij op Exodus 22:24-26 en de parallelle tekst in Deut. 24:10-13.

vers 24: Ook in bijbelse tijden hadden mensen soms een lening nodig: om zaaigoed te kopen, voor het bouwen van een huis, om een tijdelijke krapte te overbruggen en dergelijke. Er waren echter nog geen banken, dus was je voor een lening aangewezen op een familielid, een vriend, een plaatsgenoot, kortom op een individu uit je omgeving. Om te zorgen dat mensen die geld genoeg hadden, geen misbruik zouden maken van mensen die geld nodig hadden, verbiedt de Tora in zo’n geval het nemen van rente. Wanneer iemand uit je omgeving in moeilijkheden raakt, ben je verplicht hem te lenen wat hij nodig heeft om er bovenop te komen. En voor die lening mag je geen rente vragen (zie ook Lev. 25:35-36).

vers 25-26: Uit deze verzen blijkt dat bij een lening wel een onderpand hoort, dat de lener moet geven aan de uitlener als garantie voor het terugbetalen van de lening.

De uitlener zou – als sterkste partij – aan de lener allerlei eisen kunnen stellen. Hij kan iets speciaals eisen als onderpand. Hij kan zelfs het huis van de lener binnengaan om het pand eigenhandig op te halen. Deut 24,10-11 zegt dat een dergelijk – voor de lener vernederend - optreden niet toegestaan is. De uitlener mag de lener niet onder druk zetten, hij mag niet zijn privacy schenden en hem niet in zijn waardigheid aantasten. De lener moet ‘in jouw omgeving’ (Lev. 25:36) kunnen blijven leven, en niet van schaamte de benen hoeven nemen.

Bovenstaande regel geldt voor iedereen die een lening nodig heeft. In Deut. 24,12-13 en Ex. 22,26-27 vinden we een bepaling voor het geval de lener arm is. In dat geval moet de uitlener het onderpand elke avond aan de lener teruggeven.
Een arme heeft niet veel mogelijkheden om een onderpand te geven. Eigenlijk het enige dat daarvoor in aanmerking komt, is zijn mantel. Overdag kan hij die wel missen, omdat men doorgaans alleen een lang hemd, een tuniek, droeg. De mantel droeg men alleen bij speciale gelegenheden, bijvoorbeeld om naar de stad te gaan. Maar de armen gebruikten hun mantel ook als beddengoed. Moeten slapen zonder mantel zou een aantasting van de eerste levensbehoeften betekenen. En daarom moet de uitlener het onderpand van de arme bij zonsondergang aan hem teruggeven.
Niet alleen mag de uitlener de lener geen rente vragen, hij mag hem ook niet op een andere manier ‘uitkleden’, letterlijk noch figuurlijk.

De passage in Deut. 24 eindigt met de woorden: “En dat is voor jou tsedaka (gerechtigheid) voor het aangezicht van de Heer, je God” (vers 13).
Door zo te handelen, door de arme elke avond zijn mantel terug te geven, doe je tsedaka, een begrip dat bij gebrek aan beter meestal vertaald wordt met ‘gerechtigheid.’ Uit dit voorbeeld is mooi te zien wat dit begrip betekent. Tsedaka is een daad waarin recht en erbarmen met elkaar zijn verweven.
Wanneer je als uitlener de arme puur met recht zou benaderen, dan zou je het pand ook 's nachts houden. Wanneer je als uitlener de arme puur met erbarmen zou benaderen, dan zou je geen pand van hem nemen of je zou zelfs van de lening een gift maken. Maar, vooronderstelt de tekst, de arme heeft je om een lening gevraagd en niet om een aalmoes. En dus moet hij, net als ieder ander, een pand geven. Je moet hem als uitlener recht doen: je mag hem niet beschaamd maken door hem het pand of de lening cadeau te doen. Maar tegelijk moet je hem erbarmen betonen: je moet hem het pand teruggeven, zodra hij niet beperkt wordt in zijn eerste levensbehoeften. En dat, zegt de tekst, is tsedaka, een daad waarin een samengaan, een verbinding van recht en erbarmen tot uitdrukking komt.

Eigen vertaling van een gedeelte van de besproken teksten:

Exodus 22:25-26a
25. Als je de mantel van je naaste als waarborg meeneemt,
moet je hem die voor zonsondergang teruggeven.
26. Want die is zijn enige bedekking,
het is de mantel voor zijn huid.
Waarin kan hij anders slapen?

Deuteronomium 24,10-13
10. Wanneer je aan je naaste een lening hebt geleend van wat dan ook,
mag je zijn huis niet binnengaan om zijn onderpand in pand te nemen.
11. Je moet buiten blijven staan,
en de man aan wie jij geleend hebt, brengt het onderpand naar jou toe, naar buiten.
12. En als het een arme man is,
mag je niet met zijn onderpand gaan slapen.
13. Teruggeven, teruggeven moet je hem het onderpand
bij het ondergaan van de zon;
dan kan hij slapen in zijn mantel en je zegenen.
En dat is voor jou tsedaka (gerechtigheid) voor het aangezicht van de Heer, je God.

Leviticus 25:35-36
35. Als je broeder in financiële moeilijkheden raakt
en zijn bestaan wankelt,
in jouw omgeving,
dan moet je hem ondersteunen,
- en dat geldt ook voor de vreemdeling die bij je woont -,(zie noot)
zodat hij kan blijven leven,
in jouw omgeving.
36. Neem van hem geen rente of winst,
heb ontzag voor God,
zodat je broeder kan blijven leven,
in jouw omgeving.

Noot: De ‘vreemdeling die bij je woont’, de vreemdeling dus die deel uitmaakt van de gemeenschap, heeft dezelfde rechten en plichten als de andere leden van die gemeenschap. Voor de ‘doortrekkende vreemdeling’, de passant, zoals bijvoorbeeld een handelsreiziger, gelden andere regels. Van hem mag je wel rente vragen (Deut. 23:20).